Skip to main content

Full text of "Geïllustreerde gids voor Utrecht en omstreken"

See other formats


BK. R. S. 

Hl *■ 




V. GRAADT VAN ROGGEN. 
GEÏLLUSTREERDE GIDS VAN 



UTRECHT 

EN OMSTREKEN 



W.DE HAAN. 



UTRECHT! 



w:landstra 



FRANS SCHRANDT 

UTRECHT - NIJMEGEN 

CHOORSTRAAT 33 KORTE BURCHTSTR. 23 

TELEF. 13121 TELEF. 2772 



Heeft de Grootste Sorteering 
Hier ter Stede in : 




SPECIALITEIT IN: 

DAMES TASSCHEN 

Steeds het Nieuwste tegen 
den laagsten prijs 



























n 








] 


BEERENMODE - HOEDEN 


ONDERGOEDEREN 




(FABRIKAAT W. BENGER SöHNE - STUTTGART) 


DJ TO/^XJ CHOORSTRAAT 28 
V^. DUOLll TELEFOON 12534 



MAISON GAEMERS - R. GAEMERS THEEBE 



Coiffeur Diplome Cciffeuse Diplomée 




MEEST MODERNE SALONS 
VOOR DAMES-, HEEREN EN KINDEREN 



CHOCOLADEFABRIEK 

„PEGU" 

UTRECHT 
J. L. GUDE, Tel. 14093, Oudegracht 227 



Wij bevelen ten zeerste aan: 
Ananas au Marasquin, 55 ct. 
Cerises au Marasquin, 60 ct. 
Cerises au Kirsch, 60 ct. 
Raisins au Liqueur, 60 ct. 
Crème de Caraque, 45 ct. 
Pain de Café, 50 ct. 
Nougat Mou, 50 ct. 
Pastilles, 40 ct. 

enz. enz. 

Neemt proef met onze reclame-doozen, 

bevattende le kwaliteit bonbons: 
Kleine doos, inhoud M> pond . . f 1.25 
Groote „ , 1 „ . . „ 2.45 




Voornaamste gebouwen enz. 

Vak 

1 Domkerk F 2 

2 Domtoren F 2 

3 Kruisgang van den Dom F 2 

4 Universiteitsgebouw F 2 

5 Standbeeld van Jan van Nassau ... F 2 

6 Buurkerk E 2 

7 Janskerk F 2 

8 Pieterskerk met crypt F 2 

9 Jacobikerk E 1 

10 Nicolaaskerk F 4 

11 Heilige Augustinuskerk El 

12 Heilige Catharijnekerk F 3 

13 Kloostergang van St. Catharijne Brand- 
weermuseum F 3 

14 Kloostergang van St. Marie E 3 

15 St. Johannes de Deo Gasthuis E 3 

16 Paushuize F 2 

17 Huis Oudaen E 2 

18 Huis Zoudenbalch E 2 

19 Bartholomeigasthuis Regentenzaal . . E 4 

20 Fundatie van Renswoude F 4 

21 Gevel de Koning van Portugal Voorstr. E 1 

22 Stadhuis E 2 

23 Centraal Museum F 4 

24 Museum van het Staatsboschbedrijf J 1 

25 Jaarbeursgebouw D 2 

26 Handelsbeurs E 2 

27 Post- en Telegraafkantoor E 2 

28 Schouwburg D 2 

29 Tivoli G 2 

30 Gebouw v. Kunsten en Wetenschappen E 3 

31 N. V. huis Vereen igingsgebouw Spoor- 
wegpersoneel E 8 

32 Universiteitsbibliotheek F 1 

33 Rijks- en Gemeentearchief F 1 

34 Hortus Botanicus F 4 

35 Rijksmunt B 3 

36 Openbare leeszaal F 2 

37 Sterrenwacht G 4 

38 Autobusstation D 2 

39 Rijksklinieken E 4 

40 Diaconessenhuis F 4 

41 St. Anthoniusgasthuis 14 

42 Monument F. G. Donders F 2 

43 Burgemeester Reiger monument . . . G 3 

44 Administratiegebouwen Ned. Spoorw. D 3 



ADVERTENTIËN 



Frans Schrandt — Choorstraat 33, Lederwaren, 

Reisartikelen Omslag pag. 2 

Chocoladefabriek Pegu Plattegrond 

Maison Gaemers, Zadelstraat 18, Coiffeur-di 

plomé ,, 

C. Busch, Choorstraat 28, Heerenmode, Hoeden, 

enz ,, 

J. Kersbergen & Zonen, Oudegracht Tz. 185 en 

Nachtegaalstraat 28, Licht- en Warmteinrich- 

ting Tegenover fr. titel 

Waltmann & Co., Oudegracht 92, Kantoor van 

Vaste Goederen Tegenover hoofdart. 

Jaarbeurs-Restaurant, Dir. C. Hartje ,, pag. 1 

Autogarage Ouden Rijn, G. K. L. Keek „ „ 16 

T. J. Keers, Vreeburg 15, Banketbakker .... ,, ,, 16 

Lunchroom Astoria, Vreeburg 23, Restaurant- 

Tea-room ,, ,, 17 

Gerbrands' Kunsthandel, Oudkerkhof 46 ',, ,, 33 

Hotel Willems, Vreeburg 9 en 10 „ „ 48 

Magazijn „De Dom", Hoek Mariaplaats, Heeren- 
en Kinderkleeding ,, ,, 48 

A. M. de Hart, Oudkerkhof 26, Gero-zilver enz. „ „ 49 

De Korenschoof, Bakkerij ,, ,, 64 

Hotel de 1'Europe, Vreeburg 14 „ ,, 65 

Delicatessenhandel „Juliana", Lijnmarkt — 

Nobelstraat 30 „ „ 65 

C. J. Heet/eld, Oudegracht b/d Hamburgerbrug 

7, Woninginrichting „ ,, 80 

N.V. v/h B. Middelbeek, Korte Nieuwstraat 1—3, 

Meubelen enz ,, ,, 81 

,,Artibus", Korte Jansstraat 11, Meubelen enz. ,, 81 

Centraal Woningbureau Brecheisen en Pieters, 

Janskerkhof 24 „ „ 96 

Fa. Wed. J. W. Blankert, Schoutenstraat, Utrecht- 

sche Theerandjes ,, ,, 97 

H. Breen v/h H. v. Oort, Mariastraat 38, Klokken, 

Horloges, enz ,, ,, 112 

H. G. Lammerts van Bueren, Zadelstraat 33, 

Opticien ,, ,, 112 

Maison Theo Blom, Zadelstraat 23, Confiseur ,, ,,113 

G. Borg, Zadelstraat 20, Fotohandel en Atelier „ „113 
N.V. v/h J. E. Weenink, Donkere Gaard 6 — 8, 

Koloniale waren enz ,, „ 128 

J. Wegman, Zadelstraat 6, Gramophones enz. ,, „ 128 

Gemeente Gasfabriek „ ,, 129 

J. A. H. Wagenaar, Oude Gracht 107—109, 

Muziek, Piano's enz „ „ 143 

Bloemenmagazijn „Aurora", C. M. KnopperTz., 

Korte Jansstraat 23—25 „ „ 144 

A. J. CraJ, Zadelstraat 5, Juwelier Omslag ,, 3 

Utrechtsche Provinciebank, Janskerkhof 22, ... 

Bankzaken Omsl. achterzijde 



geïllustreerde gids 

VOOR 

UTRECHT EN OMSTREKEN 



m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 
m 



m 



m 
n 



WALTMANN & Co. 

OUDEGRACHT 92 

(VIEBRUG) - UTRECHT 

l OPGERICHT IN 1887 
TELEF. No. 10399 

mm 
m 

KANTOOR VAN 
VASTE GOEDEREN 

HUUR - VERHUUR 
KOOP - VERKOOP 
EN ADMINISTRATIE 
VAN VASTE GOEDEREN 

WONINGGIDS OP AANVRAGE GRATIS 

ALGEMEEN ASSURANTIE-KANTOOR 

TELEF. No. 14720 
VERZEKERINGEN OP ALLE GEBIED 



m 



m 



GEÏLLUSTREERDE 
GIDS VOOR UTRECHT 
EN OMSTREKEN 

DOOR 

W. GRAADT VAN ROGGEN 



MET EEN UITSLAANDE PLATTEGROND 
EN 52 AFBEELDINGEN 




W . DE HAAN — UITGEVER — UTRECHT 



JAARBEURS- 
RESTAURANT 

UTRECHT 

GROOTSTE 
EN MEEST 
LUXUEUSE INRICHTING TER PLAATSE 




VERGADERZALEN VAN 10 TOT 
600 PERSONEN 

PARKEERTERREIN 

Directie: C. HARTJE 

TELEFOON NUMMERS 13820, 13828 EN 13829 



Het om-muurde Utrecht in 1598. 



VREEMDELING, gij hebt natuurlijk haast en voor een be- 
zoek aan Utrecht weinig tijd. Neen, verontschuldig U niet: 
het gaat mij precies als U; wij, moderne menschen, willen 
immers alles zien, alles hooren, alles zooveel mogelijk ook 
verstaan — en wij hebben eigenlijk voor niets: t ij d. Boven- 
dien, gij hebt natuurlijk veel gereisd, vele steden bezocht, 
kerken bekeken, torens beklommen en met knikkende knieën 
'n massa musea doorloopen. En nu wilt gij ook eens 'n kijkje 
komen nemen in Utrecht? Welkom, vreemdeling! Wij stellen 
Uw belangstelling des te meer op prijs, dewijl gij toch weten 
kunt, dat Utrecht géén wereldstad is, de Westminster Abbey 
véél interessanter is dan ónze Pieterskerk, de Eiffeltoren véél 
hooger dan onze Domtoren en het Rijksmuseum te Amsterdam 
véél rijker, grooter en grootscher dan het Centraal-Museum 
hier. En toch wilt gij iets van Utrecht zien? Waarom eigenlijk? 
Jawel, ik begrijp U: gij wilt loffelijkerwijze breken met het 
oude dogma, dat een profeet in eigen land niet geëerd is; gij 
hebt in tijdschriften zoo nu en dan kiekjes uit Utrecht gezien 
en gij hebt gevoeld, dat het toch eigenlijk niet heelemaal 
in den haak is, mee te praten over den Boulevard des Italiens 
en over Trafalgar Square zónder de grachten van Utrecht en 
de Maliebaan óóit gezien te hebben. Gij wilt dus een achter- 
stand inhalen, 'n tekort wèg-werken, 'n - excuseer mijn 
geringe hoffelijkheid — ,,manque" in Uw opvoeding als Neder- 
landsen staatsburger goed maken en gij verlangt van mij 
een maaltijd-a-la-minute van Utrechtsche bezienswaardig- 
heden? Goed, ik ben bereid er U een op te disschen. Trouwens, 
zélf hebt gij, ten bewijze dat gij toch wel iets van Utrecht 
weet, de verschillende schotels, waaruit het menu zal bestaan, 
reeds aangegeven: de Dom, het Centraal-Museum, de grach- 
ten, de zaal-waar-de-Unie-van-Utrecht-gesloten-werd, de 



1 



Utrechtsche theerandjes en dan, tot slot, even met 'n taxi, 'rt 
toertje door de parken . . . 

Welnu, laat ons op stap gaan. Wij beginnen bij het CEN- 
TRAAL STATION, 'n Móói entrée is het niet voor Utrecht. 
De vierde stad des lands — Utrecht heeft meer dan 150,000 
inwoners, ongerekend de bevolking der omliggende gemeenten, 
die op het verlanglijstje staan om geannexeerd te worden — 
heeft dringend een ruimere, vriendelijker, meer joyeuze vestibule 
noodig. Maar dat komt alles wel . . . als wij maar tijd van 
leven hebben! In het uitbreidingsplan der gemeente is er al 
met een nieuw station rekening gehouden: de spoorbanen 
rond Utrecht zullen alle opgehoogd worden en achter de drie 
administratiegebouwen der Nederlandsche Spoorwegen aan de 
Moreelselaan zal verrijzen 'n groot, modern stationsgebouw: 
Utrecht waardig. 

Op het Stationsplein de wagens van de gemeentetram en de 
gemeentelijke autobus. Verder de tram naar de Bilt en Zeist en 
verschillende particuliere autobussen op omliggende plaatsen. Er 
vertrekken ook autobussen van het Autobus-station op 
het nabijgelegen Vredenburg (achter den Schouwburg). Een bus 
naar Bilthoven rijdt af van het Janskerkhof. Aan de zijde van 
den Leidschen Weg het Buurtstation (voor locaaltreintjes 
richting Zeist en richiing Baarn). 

Door de Stationsstraat naar den Catharijnesingel en dan, 
rechtsom, in de richting van de Willemsbrug. De voor ons 
liggende singelgracht omsluit de oude binnenstad; achter de 
gracht lagen de wallen; op de wallen (men zie den plattegrond 
uit het jaar 1572), stonden torens; hier en daar lagen, in het 
water uitgebouwd, bolwerken; groote, soms zeer fraaie poor- 
ten met ophaalbruggen, gaven toegang tot de veilige stad. 
Van dit alles is nagenoeg niets meer over; de vestingwerken 
zijn geslecht, parken en plantsoenen zijn ervoor in de plaats 
gekomen. Hier en daar, langs de buitengrachten, komen nog 
oude muurbrokken romantisch van onder donker geboomte 
te voorschijn; waar vroeger de kanonnen stonden, de haak- 
bussen en serpentijnen, bloeien thans Japansche cypressen, 
geuren inlandsche linden en waar de wallen zijn verdwenen, 
buigen aan de groene oeverranden de eiken en populieren, 
de beuken en eschdoorns, de iepen en kastanjeboomen en de 
oostersche platanen hun zwierige kruinen breed over het water. 

'n Utrechtsche merkwaardigheid: terwijl andere steden in den 
loop der tijden werden ,, uitgelegd", kreeg Utrecht reeds in 



3 



d e Xlle eeuw, de afmetingen en den langgerekten harpvorm, 
dien de stad tot aan de slechting der wallen in het begin der 
XI Xe eeuw behouden heeft. Alleen één oud stadsgedeelte aan de 
westzijde met een eigen om-muring, de Bemuurde Weerd, 
door de Vecht in twee deelen gescheiden, lag van ouds buiten 
de vestinggracht. Al nam de bevolking toe, de door de tegenwoordige 
buitengrachten omsloten ruimte blééf al die zeven eeuwen groot 
genoeg. Hoe dat mogelijk was? In de eerste plaats was de omwalling 
aanstonds rijkelijk ruim genomen; ten tweede leverden de uitge- 
breide geestelijke goederen midden in de stad — groote, stille gras- 
velden met een kerk er midden op en kloostergebouwen eromheen — 
na de Hervorming flinke perceelen bouwterrein, evenals de in de 
binnenstad gelegen hofsteden, wier achtererven allengs werden 
volgebouwd met kleinere woningen voor handwerkslieden en nering- 
doenden. En ten derde werkte Holland, waar het kon, Utrecht's 
ontwikkeling tegen en overvleugelde Amsterdam in de XVI Ie eeuw 
de hoofdstad van het Sticht geheel. Door dit alles heeft Utrecht 
het met haar eerste ommuring tot na Napoleon's tijd kunnen bol- 
werken. Allengs vormden zich, als kleine uitbouwsels, vier vóór- 
stadjes: de buitengerechten Abstede, Catharijne, Lauwerecht en 
Tolsteeg, in 1823 met de stad vereenigd. 

Bij de Willemsbrug rechts de drie administratiegebouwen 
van de Nederlandsche Spoorwegen. Drie geslachten. Het oudste 
van omstreeks 1870: nuttig en koel-zakelijk, als een correct 
oud-heertje, maar op den duur, 'n beetje saai en wel héél erg 
bureaucratisch; het middelste, 'n kwarteeuw jonger: vroolijker, 
pretentieuzer, opgesmukt met geleende fraaiigheden en zonder 
oorspronkelijkheid; dan, daarnaast, rustig en bezonnen, het 
DERDE ADMINISTRATIEGEBOUW DER SPOORWEGEN: 
schepping tevens levensbegrip van onzen tijd. Eenvoudig, klaar, 
eerlijk, indrukwekkend, schóón. Twee overheerschende begrip- 
pen: techniek en organisatie — maar over héél dit monument 
van ingehouden kracht heeft de bizondere persoonlijkheid van 
een kunstenaar zijn zuiver licht gespreid. Moedig-strevende 
lijnen, die over de volle hoogte van het gebouw gaan; vlakke 
afdekking, niet- versierde muren; evenwichtige verdeeling der 
hoofdmassa's ; voornaam, al ware het ook alleen reeds in 
het vrijwillig verzaken van alle in het oog loopende ver- 
siersels; eerbiedig wordt recht gedaan aan de forsche pracht 
van het baksteen-materiaal, dat in avondgloed van wonder- 
schoon diep-paars coloriet is. En in dit sober, streng geheel: de 
even-toch-wel téédere intimiteit van den ingang, als een 
vriendelijk glimlachende mond in een peinzend gelaat . . . En 
nu wilt gij natuurlijk weten wie de bouwmeester is? Hier 
hebt gij zijn naam: Dr. Ir. G. W. van Heukelom. 



4 



Derde Administratiegebouw der Nederlandsche Spoorwegen. 

BOUWGESCHIEDENIS. Voor dit Administratiegebouw offerde de 
Gemeente haar park Nieuweroord. Begin 1918 (dus nog in oorlogs- 
tijd) werd de opdracht gegeven voor een ontwerp. Mei 1918 begon 
het grondwerk; November 1918 het metselwerk, dat van Januari 
tot half Maart 1919 wegens vorst moest worden gestaakt. Einde 
1919 stonden de muren der vier verdiepingen. Augustus 1920 was 
het metselwerk, ook van den toren, geëindigd. 2 Mei 1922 kon het 
gebouw in gebruik worden genomen. Het biedt arbeidsruimte voor 
2200 personen. 

Wij gaan de Willemsbrug over en maken hier reeds aan- 
stonds kennis met Utrecht's wonderschoonen plantsoenaanleg, 
waarbij vooral in het oog valt de groote verscheiden- 
heid van boomen en gewassen. 

Vroeger, toen het Merwedekanaal er nog niet was, maakte dit 
stuk singelgracht deel uit van de ,,Keulsche Vaart", den belang- 
rijken waterweg tusschen Amsterdam en den Rijn; oorspronkelijk 
ging de Vaart midden door Utrecht heen (door de Oude Gracht) ; 
in de XVIIe eeuw koos de scheepvaart zich een weg öm de eigenlijke 
binnenstad (de singelgracht) en sedert den aanleg van het Merwede- 
kanaal gaat het dóórgaand scheepsverkeer Utrecht op verren afstand 
voorbij. Voor de schepen, die in Utrecht zelf moeten zijn, is de buiten- 
gracht nog van belang en de beurtschippers en stoombootdiensten 
hebben — zie maar even naar links — nog altijd voor het grootste 
deel aan de Rijnkade hun aanlegplaatsen. 

Het nieuwe kerkgebouw, in het Willemsplantsoen, is de 
PAROCHIEKERK VAN ST. GERTRUDIS, de kathedraal der 
Roomsch-Katholieken van de Oud-bisschoppelijke Clerezij. 



5 



Wie van antieke dingen houdt, kan in deze kerk zijn hart op- 
halen. De oud-bisschoppelijke Clerezij (bij de spraakmakende ge- 
meente veelal bekend onder den naam van ,,Oud-Roomschen", 
,, Jansenisten" en Oud-Katholieken") bezit een belangrijke ver- 
zameling oude kerksieraden, zilveren altaarstukken, priestergewaden 
uit de Xle eeuw, zeer kostbaar borduurwerk en een pracht-collectie 
kanten. Er wordt in deze kerk ook bewaard de halsdoek (een linnen 
doek, versierd op de wijze der Koptische weefsels), waarmede in 
de IVe eeuw de H. Cunera, de Rhenensche martelares, geworgd is 
geworden. 

Het ligt in de bedoeling binnenkort de verschillende merkwaardige 
kerkschatten, benevens een belangrijke boekerij, samen te brengen 
in een afzonderlijk MUSEUM DER OUD-BISSCHOPPELIJKE 
CLEREZIJ, dat gehuisvest zal worden in het zeer oude, achter 
het nieuwe kerkgebouw schuil gaande, voormalige St. Gertrudis- 
kerkje, waar dan zullen worden uitgestald de buitengewoon fraaie 
verguld zilveren gedreven kan en schotel uit de XVI Ie eeuw, thans 
nog in bewaring in de naast de kerk gelegen pastorie. 

Recht voor ons uit, van de Willemsbrug af, bóven de rij 
lage huizen, die de Mariaplaats afsluiten, rijzen, in eikaars 
onmiddellijke nabijheid, twee torens; twee eigenaardige con- 
trasten: fijn, ijl en grijs de rijzige Domtoren en, op eenigen 
afstand daarnaast, donker, massief, vierkant: de afgeknotte 
toren van de Buurkerk. 

Op de Mariaplaats rechts een plantsoentje, dat toegang geeft tot 
het komieke doolhofje van den Mariahoek, waardoorheen men op 'n 
ander gedeelte der Mariaplaats komt, waar achteraf gelegen de 
R.K. KERK VAN DEN H. DOMINICUS (oude schilderstukken en een 
rijke collectie oud zilverwerk) en het GESTICHT VAN DE BROEDERS 
VAN ST. JOANNES DE DEO zijn gelegen. 

Van de Willemsbrug rechtuit de Mariaplaats over, gaan wij 
links voorbij den modernen gevel der HANDELSBEURS 
(architecten: Jhr. A. H. Op ten Noort en Ir. L. P. S. Scheffer), 
waarin Zaterdags een drukbezochte graanbeurs wordt ge- 
houden. De groote, grauwe levenlooze kubus rechts op den 
hoek: het GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAP- 
PEN, de geboorteplaats van heel wat vereenigingen en genoot- 
schappen hier te lande (de centrale ligging maakt Utrecht tot 
vergaderstad bij uitnemendheid) ; qua architectuur heeft deze 
muzentempel met kunsten noch wetenschap iets uitstaande en 
zoo wij toch zijn drempel overschrijden, is het alleen om, via 
dit gebouw, den tuin te kunnen bereiken en, v i a den tuin, 
de oude KRUISGANG VAN ST. MARIE. En die oudste 



6 



van onze Utrechtsche kruisgangen moet gij toch gezien 
hebben, wilt gij in het vervolg over Utrecht kunnen mee- 
praten. Gemakkelijk krijgt 
gij haar niet te bewonde- 
ren, want het bouwwerk 
wordt gerestaureerd en 
alleen over een schutting 
heen is, steelsgewijze, iets 
van den ouden hof te zien. 
Maar als straks de her- 
stelling zal zijn afgeloo- 
pen, de schutting zal zijn 
verdwenen en van de 
Mariaplaats af, door den 
tuin van het Gebouw 
,, Kloostergang" van St. Marie. de bekoorlijke mediaevale 

binnenhof zichtbaar zal 
worden, met aan drie zijden het lage muurtje, en daarboven 
de pittoresque zandsteenkolommetjes op eenvoudig base- 
ment, elegant overboogd door de vroeg-romaansche bak- 
steentogen, alles in weloverwogen verhoudingen en goed 
geproportioneerd — wat zal N i e u w-Utrecht dan weer een 
stemmingsvol, en ook architectonisch belangrijk stukje Oud- 
Utrecht rijker zijn geworden! Want deze ,, Kloostergang van 
St. Marie", dit levend stukje bouwschoon uit den romaanschen 
tijd, is in ons, aan romaansche bouwwerken zoo arm, land reenig. 

De kruisgang (in Utrecht spreekt men bij voorkeur van ,, klooster- 
gang") behoorde vroeger tot een van de rijkste kerken, die Utrecht 
gehad heeft: de Kapittelkerk van St. Marie. Ze lag, 
(in 1082 begonnen en 1130 voltooid), met haar front naar de wallen, 
zoodat het koor ongeveer was, waar zich nu de ingang van het 
,, Gebouw" bevindt. Zij was een van de vier kerken (de St. Pieters- 
kerk, de St. Janskerk en de, geheel verdwenen St. Paulus-abdij, 
ter plaatse waar nu het gebouw der Arr. Rechtbank in de Ham- 
burgerstraat staat) , die in de Xle eeuw naar den opzet van bisschop 
Bernulf in kruisvorm om de Domkerk zijn gebouwd. Een oude 
overlevering verhaalt, dat de Maria-kerk gebouwd is naar een 
kerk-type uit Milaan; een Noord-Italiaansch voorbeeld schijnt inder- 
daad gevolgd te zijn. De Mariakerk bezat vele kostbaarheden, die 
alle verdwenen zijn; betrekkelijk vroeg, nog vóór de Hervorming, 
raakte zij al in verval en in de eerste jaren na de Hervorming wilde 
men haar reeds afbreken. Zij wist echter haar van toen af weinig 
glorieus bestaan nog tot in het begin der XlXe eeuw te rekken. In 
1811 werd de kerk geamoveerd, behalve het koor, dat tot 1844 




7 



dienst heeft gedaan als stads-concertzaal. Van deze grootste basiliek, 
die het Beneden-Rijngebied in de romaansche periode gehad heeft, 
is alleen het kleine brokske kruisgang als bij toeval gespaard gebleven. 

En als wij nu het Gebouw uitkomen, dan ligt voor ons, met 
als schildwacht de oude, hardsteenen ST. MARIAPOMP, 
de Zadelstraat. Zie, daar rijst aan het einde der straat, 
edel en slank, ten voeten uit, omhoog, Utrecht's edelst wezen, 
Utrecht's kostelijkste schat: de Domtoren: 

„Die hoghe torre die daer staet, 
wijst ons onse erve daer boven, 
daer d'engele Gode loven, 
daer wi na sellen poghen." 

Men kan zich Utrecht moeilijk 
denken zonder Domtoren. Hij is 
de ziel van onze stad, de groote 
baken in de Utrechtsche samen- 
leving. Eeuwen reeds staat hij, 
boven de stad uit, in heilig peinzen. 
Onze parel-grijze campanile, met 
zijn ranke, doorzichtige lantaarn 

— achtkantige bekroning van een 
vierkanten onder- en midden- 
bouw — , met zijn slanke speel- 
sche lijnen, zijn gevoelige even- 
maat van subtiele verhoudingen, 
met de weelderige ornamentiek 
der kruisbloemen en fialen en de 
hooge, opengewerkte balustraden 

— de Utrechtsche Domtoren is 
een fascineerende schoonheid en 
een innige ontroering. Fier, in 

Domtoren. eenvoud en waarheid, houwt deze 

toren zich op uit drie deelen — 
elk deel de strofe van een gewijden zang — zonder dat eenig 
bouwdeel den overgang van onderbouw tot middenpartij en 
van middenpartij tot lantaarn merkbaar geleidt. Het hooge, 
tegen een blauwe lucht zoo wonderschoon verschemerend mo- 
nument draagt aan zijn flanken naar de vier windstreken het 
verguld-cijferige uurwerk, waarlangs de, 's avonds verlichte, 




S 



wijzers voortschuiven, als een eeuwigheids-memento voor het 
menschdom . . . 

En nu, vreemdeling, zoudt gij maar het liefst regelrecht 
op den Domtoren willen aanloopen; maar dat doen wij 
nog niet ; straks, ik beloof het U, gaan wij den toren- 
reus beklimmen, maar eerst slippen wij, vooraan in de 

Zadelstraat, een onaanzienlijk 
zijstraatje in — de Donker- 
straat — waar, temidden van 
wat schuwe achterbuurtwo- 
ningen, de strakke, hard- 
steenen gevel van het breede 
HUIS ZOUDEN BALCH, op 
zielige wijze receptie houdt. 
Het is alleen een gevel, 
die hier de honneurs van 
de Donkerstraat waarneemt, 
want het H u i s-Zoudenbalch 
zelf is geheel verdwenen 
en wat nu nog, dóór de 
kruiskozijnen onder de spits- 
boognissen, van het inwen- 
dige dezer eenmaal statige 
patriciërswoning (een der 
beste voorbeelden van laat- 
gothische wereldlijke bouw- 
kunde) te zien is, zijn . . . 
kantoren, groezelige pakhuizen en rommelige bergplaatsen. 

Het destijds voorname en rijk gemeubelde paleisje van Evert 
van Zoudenbalch is in 1467 gebouwd; het was eenmaal, in den 
tijd toen de poorters binnen de stadsmuren nog veel aan boeren- 
bedrijf deden, een stads-hofstede, die met haar ap- en dependenties, 
de geheele ruimte tusschen Zadelstraat, Mariastraat en Steenweg 
besloeg; (een fragment van een poortgebouw van Zoudenbalch is 
nog in de Mariastraat; het daarin aangebrachte Bakkerspoortje 
geeft toegang tot een hofje, vanwaar men een mooien kijk heeft 
op den Buurtoren). Het woonhuis zelf zal in zijn eersten tijd wel 
meermalen getuige geweest zijn van hoofsche festijnen, die in den 
herfsttij der Middeleeuwen, met overdadigen pronk plachten ge- 
geven te worden. Later is er veul gesnor van buyen over dit huis 
gegaan; van 1747 tot 1875 is het R.K. Weeshuis er in gevestigd 
geweest en was het ook voor oude hulpbehoevenden ingericht. In 
1903 is het huis afgebrand; alleen de gevel werd in zijn oorspron- 
kelijken staat hersteld. 




Ingang Huis Zoudenbalch. 



9 



Wij keeren het Huis-Zoudenbalch den rug toe en aan|het 
einde der nauwe, havelooze 3e Buurkerksteeg treedt ons, 
breed en plomp, een baksteenen gevaarte vierkant in den 
weg: de BUURTOREN, gegroefd en verbrokkeld, met ver- 
schillende ingemetselde steenen kogels, afkomstig van het 
beleg van het Kasteel Vredenburg, toen — het was in den winter 
1576-1577 — op de torens der Utrechtsche kerken, de burgers 
geschut geplaatst hadden, waarmede het gehate bolwerk der 
Spaansche tyrannie, te hunner beteugeling door Karei V 
opgericht, bestookt kon worden. De tijden zijn met zware 
tempeesten over dezen toren heengetrokken en nog staat hij 
daar, groezelig met zijn haast zwart verweerden muur en met 

zijn houten muts, als een 
kroon van bordpapier dwaas 
op den vierkanten kop van 
een koning. 

Achter de toren-tors ligt 
de BUURKERK. Uit bak- 
steen opgetrokken, slechts hier 
en daar met brokken ge- 
houwen steen gelardeerd, 
munt deze oude, deze zeer 
oude kerk uiterlijk niet door 
rijkdom van details uit. Wij 
wandelen om de kerk heen, 
over het thans als standplaats 
voor bodewagens actief dienst 
doende BUURKERKHOF, 
jdat eigenlijk, zooals het in 
later jaren door bebouwing 
laan alle zijden ingekort is 
Hofje achter de Bakkerspoort tot een ingetogen hofje, maar 
(Mariastraat) met gezicht op den liever heel stillekens aan zich- 
Buurtoren. zelf overgelaten moest wor- 

den. Met zijn paar oude boomen houdt het de herinnering 
levendig aan den tijd, toen de Utrechtsche burgers het liefst 
hun laatste rustplaats zochten in de schaduw van het be- 
minde kerkgebouw. 

Hier, in de omgeving van de Buurkerk, bevinden wij ons 
in het hartje van 'n héél oud stadsgedeelte: hier lag, als middel- 
punt der koopmanswijk „Stathe" in de onmiddellijke nabijheid 




10 



van de parochiekerk, het recht huis en het (eerste) r a ad- 
huis; in de Buurkerk, waarvan de twee burgemeesters van 
Utrecht ambtshalve kerkmeesters waren, bewaarde de stad 
hare privilegiën en haar stadsbanier en bezat de stedelijke 
Raad een eigen kapel en een eigen altaar; naar deze kerk 
(aan Maria gewijd, maar Buurkerk geheeten) richtte, in den 
tijd van de wereldlijke macht der bisschoppen, de nieuwe 
kerkvorst het eerst zijne schreden, om, na ten stadhuize 
beëedigd te zijn, hier zijn wereldsch gewaad af te leggen, ten 
einde eerst dan — ,,'t coercleet an ende die beffe opte arm" 
— met pracht en praal ter Domkerk te schrijden voor wijding 
en inzegening; in deze Buur-kerk — vandaar ook haar naam 
in den volksmond — ■ hielden de gilden hunne samenkomsten 
(„buurspraken") en hadden de meesten der middeleeuwsche 
corporatiën hare grafsteden, altaren en gildeperken ; van 
deze kerk begeleidde en bekrachtigde het gelui der banklok — 
een ongewijde stadsklok — de aflezing van vonnissen en 
verbanningen, van nieuwe keuren en nieuwe burgers. En 
jaren lang heeft deze toren de (thans verdwenen) kermissen in- 
geluid . . . Oorspronkelijk liep de kerk door, over de tegen- 
woordige Choorstraat héén, tot bijna aan de Vischmarkt; 
toen, na de Hervorming, de kerk voor den protestantschen 
eeredienst in gebruik werd genomen, brak men (in 1587) ter 
wille van een verbindingsweg tusschen twee drukke stadsge- 
deelten, het koor eenvoudig af. Het kerkgebouw zelf diende 
desniettegenstaande langen tijd nog tot algemeene passage. 
Een nog in de kerk aanwezig houten bord vermeldt het ver- 
bod — de ordonnantie dateert uit 1612 — om ,,geduyrende 
de predicatie des Godelycke Woordts off andere christelycke 
oeffeninghe" binnen deze kerk te mogen wandelen, goederen 
vervoeren of . . . vee te drijven. 

Inwendig is de kerk zéér merkwaardig. Oorspronkelijk (van een 
kerk te dezer plaatse wordt reeds in 1131 melding gemaakt) een 
romaansch, basiliek-vormig kleiner gebouw met ingebouwden 
toren, werd zij tusschen de XHIe en de XVe eeuw uitgebouwd tot 
een — onvoltooid gebleven — baksteenen hallenkerk, een der be- 
trekkelijk weinige gebouwen met vijf beuken, die in Nederland voor- 
komen. Men lette op de pijlers en de verrassende doorkijken. Mooi 
snijwerk aan het doophek, den kansel en aan een tochtportaal. 
Opmerkelijk zijn de gildeborden der smeden, der bakkers en der 
visschers. Fragment van een fraaie gebeeldhouwde altaartafel. Tegen 
den torenwand binnen in de kerk een muurschildering uit 1440, 



11 



voorstellende de „Boom van Jesse", een eigenaardig gecomponeer- 
de geslachtstafel van Jezus. Enkele, zwaar door den beeldenstorm 
beschadigde fresco's zijn nog ontdekt. 

In het koor der kerk werd in 1514 — 87 jaar oud — begraven de 
bekende mystica ,,Suster Bertken" die van haar 30e jaar 
tot aan haar dood in een, tegen het koor aangebouwde kluis in- 
gemetseld, in vrome afzondering heeft geleefd. ,,Haer cleet was des 
wijnters ende des zomers een grof haren cleet aen haer naecte lijf, 
mit een grouwen rock, die eenvoudich was; sij en heeft niet vleysch 
of enighe suvel ghegeten, bloetsvoets wesende altyt, noch niet vuyr 
hebbende ..." De „besloten suster van Buerkercke" heette Bertha 
Jacobs en staat bekend in de litteratuurgeschiedenis als de schrijfster 
van fijngevoelige geestelijke liederen en mooi, gedragen proza, eerst 
na haar dood gepubliceerd. Van haar is het bekende lied: 



Wij verlaten de kerk en ziet! wéér rijst, nu van het Buur- 
kerkhof af gezien, boven een lage huizenrij uit, de Domtoren. 

Maar lang genoeg heeft Uw 



Servetstraat aan den voet van 
Oude Gracht in de nabijheid van den toren. Wij bellen op het 
de Maartensbrug. Domplein no. 19 aan om ons 

van toegangsbewijzen te voorzien (25 cents per persoon; de 
toren is te bezichtigen van 9-4 uur). Maar de geleider is 
nog met een ander gezelschap ,, boven" en wij maken ons den 



,,Ic was in mijn hofken om cruyt gegaen, 
Ic en vant niet dan distel ende doorn staen." 




geduld reeds op de proef 
gestaan en gij stelt nu zeer 
instantelijk den eisch den 
Domtoren te willen beklim- 
men. Aan uw wensch, 
vreemdeling, zal worden vol- 
daan. Eerst het drukke 
kruispunt van de drie voor- 
naamste winkelstraten der 
binnenstad: de Choorstraat, 
Zadelstraat en Lijnmarkt 
gepasseerd, dan de MAAR- 
TENSBRUG over — 'n 
vluchtige blik rechts op de 
Oude Gracht, het meest ka- 
rakteristieke element van ons 
Utrechtsche stedenschoon — 
en reeds staan wij in de 



12 



tijd, dat wij wachten moeten, ten nutte, door rechts van den 
toren-onderdoorgang, de baksteenen poort te bekijken, die 
blijkens het daarop aangegeven jaartal, uit 1634 dateert. De 
poort geeft thans toegang tot eene . . . bloemisterij, maar eer- 
tijds was zij de POORT VAN HET BISSCHOPSHOF. 

Van Bisschopshof tot Flora's hof — in de geschiedenis der eeuwen 
il n'y a qu' un pas. In overoude tijden lag, waar nu de bloemen 
te bloeien staan, tot aan het Wed en den Donkeren Gaard toe, het 
fraaie gothische paleis der Utrechtsche bisschoppen, later — en 
uit dien na-bisschoppelijken tijd dateert de poort — de zetel van het 
Hof van Holland en de woning der militaire gouverneurs. Van het 
tusschen 1439 en 1447 gebouwde Bisschopshof, het ,, winterhuis" 
der Utrechtsche bisschoppen (de kerkvorsten resideerden meestal 
op hun groot kasteel te Wijk-bij -Duurstede) is niets meer over; 
de afbraak in 1803 behoedde dit deerlijk aan lager wal geraakte 
gebouw — in 1778 werden zalen ervan verhuurd voor tooneel- 
voorstellingen — voor verdere demoralisatie. 

Thans bestijgen wij de 446 treden van den 112 Meter hoogen 
DOMTOREN, nog steeds de hóógste van Nederland. Sinds 
1902 ondergaat dit machtige bouwwerk eigendom der 
Gemeente, terwijl de Domkerk eigendom der Ned. Herv. 
Gemeente is — een algeheele, zeer zorgvuldig geleide her- 
stelling, waardoor na eenige jaren — welke Utrechter hoopt 
dat oogenblik niet te beleven! — Utrecht's hooge Domtoren 
in nieuwe schoonheid aan heel Nederland zal teruggegeven 
zijn. Onder zeer moeilijke omstandigheden alles was 

verwaarloosd — werden eerst de opperste lantaarn, daarna 
het middenstuk en eindelijk het zwaar gescheurde onderste 
vierkant grondig hersteld: het achtkantig gewelf werd geheel 
vernieuwd, de houten klokkenstoel door een ijzerconstructie 
vervangen, de baksteenen bekleedingen (vandalisme uit het 
begin der XI Xe eeuw) werden verwijderd en natuursteen kwam 
er voor in de plaats; de open traceeringen der velden en de 
blinde traceeringen der nissen herkregen hun ouden vorm 
en voor den uitgeleefden natuursteen van stijlen en spitsbogen 
werd kalk-, zandsteen of trachyt in de plaats gesteld. En zoo 
verrees in nieuwen luister het machtige bouwwerk, dat, tot 
uren in den omtrek, het Utrechtsche stadsbeeld beheerscht. 

BOUWGESCHIEDENIS. Met den bouw van den Dom toren werd 
in 1321 begonnen, nadat van de Dom k e rk reeds in 1254 de eerste 
steen was gelegd. Toen het oudste deel, het koor van de kerk, vol- 
tooid was, is men op een flinken afstand van dat koor — het terrein 



13 



voorj de voltooiing van de kerk was nog niet beschikbaar — 
met den bouw van den toren begonnen en heeft men den kerk- 
bouw nagenoeg stop gezet om éérst den vrijstaanden toren af te 
maken. Als eerste bouwmeester wordt genoemd meester Jan uit 
Doornik in Henegouwen, naar zijn bouwwerk Jan van den Doem 
geheeten. De plaatsing van den toren wijkt af van die der Fransche 
kathedralen, naar wier type de kerk werd ontworpen. De Fransche 
kathedralen hebben alle twee torens aan den westelijken gevel 
(vergelijk de Nötre Dame te Parijs, de kathedralen van Reims, 
C hartres enz.); in Utrecht heeft de bouwmeester slechts één toren, 
in de as der kerk, ontworpen, maar één, die hooger en zwaarder 
is dan die der Fransche kathedralen. Aan den toren is, aan 
één stuk door, 60 jaar gewerkt. Wat de ouderdom van den Utrecht- 
schen Domtoren betreft, 'n enkele vergelijking: bouwjaren van 
Domtoren te Utrecht 1321—1382; toren Nieuwe Kerk, Delft 1396— 
1496; toren O. L. Vrouwe Kerk, Amersfoort 1447 — 1471; toren 
Martini -kerk, Groningen 1469 — 1482; toren Cunera-kerk, Rhenen 
1492—1531. 

Het fundament van den toren (baksteen metselwerk met 
een overwelfde middenruimte, die vroeger als gevangenis heeft 
dienst gedaan) gaat tot 5.50 M. diep onder den beganen grond» 
Van den grond opwaarts brengt een trap ons allereerst 
in een hooge, kapelvormige ruimte boven de hooggewelfden 
doorgang, die de Servetstraat met het Domplein verbindt en 
waardoorheen thans — pijnlijke gedachte voor wie bedenkt, 
dat deze doorgang, versierd met de beelden van bisschoppen 
(waarvan alleen de zeer verweerde consoles nog aanwezig 
zijn) eenmaal de voornaamste toegang was tot de kathe- 
draal! — de schei-rinkelende electrische tram tunnelt. 
De hooge ruimte, waarin wij ons bevinden en die eenmaal, 
gerestaureerd en van (hopen wij gekleurde) vensters 
voorzien, een machtigen indruk zal maken, was vroeger de 
huiskapel van den bisschop, de St. Michaëlskapel, 
die aan de ééne zijde door een trap, de Bisschopstrap, ver- 
bonden was met de bisschoppelijke consistorie en aan de zijde 
der kerk, door middel van eene overbouwing, in verbinding 
stond met een loge in de kathedraal, van waaruit de kerk- 
vorst ongezien den dienst kon bijwonen. Van de schoon- 
gewelfde Michaëlskapel voert een steenen wenteltrap naar 
een tweede, boven de kapel gelegen ruimte (de z.g. E g- 
mondskapel), vermoedelijk oudtijds de luiruimte voor de, 
boven de houten zoldering in zware klokkenstoelen hangende, 
luiklokken. De zeven klokken dateeren mt den Bourgondischen 
tijd en zijn gegoten in 1505 en 1506 door den grootsten klokken- 



14 



gieter der middeleeuwen, Meester Geert van Wou. De om- 
vangrijkste, de ,, moeder" der Utrechtsche klokken, de fraai 
geornamenteerde St. Salvator, heeft een middellijn van 
2.24 Meter en weegt meer dan 16.000 pond. Nog weer hooger 
in den toren in de open lantaarn, een carillon, in 1773 ge- 
maakt, bestaande uit 44 klokken, waarvan de meeste (34) 
gegoten door de gebroeders Fran^ois en Pierre Hemony. 

De St. Salvator wordt alleen bij hooge feestgelegenheden of in 
dagen van nationalen rouw geluid. Het Domcarillon wordt bespeeld 
eiken Zaterdag van 11 tot 12 uur, op de verjaardagen van de leden 
van het Kon. Huis van 12 tot 1 uur en in Mei eiken Maandag, Dinsdag, 
Donderdag en Vrijdag 's avonds van 7 y 2 tot 8 y 2 uur. Verder worden 
er 's zomers twee- of drie avondbespelingen gegeven van 8 V 2 tot 
9 y 2 uur. Ook is er nog een bespeling den avond vóór Kerstmis van 
8 tot 9 uur. Vooral op zomeravonden klinkt de stem van onzen 
zingenden toren" als een schoon en mild gezang. 

Van den eersten, meer nog van den tweeden trans 
— naarmate wij in den nauwen trapkoker hooger stijgen, 
zien wij door de smalle torenspleten de stad al dieper onder 
ons weg zinken — ziet men wijd uit over de stad en om- 
streken. 

Vlak beneden ons vreemd-perspectivisch de warrige chaos van 
geknielde daken, baloorige schoorsteenen en boomen als groene 
bouquetten: 'n reusachtige maquette, met straten-nerven doorkerfd, 
en met allerlei details, die ons, als wij wandelen door de stad, veelal 
ontgaan; hoe typisch, van bovenaf gezien, de kronkelende loop 
van de Oude Gracht midden door de wirwar der huizenstad. En 
dan verderop, naar het westen, de uit hooge schoorsteenen weg- 
zwierende rookpluimen van het Utrechtsche fabrieksgedeelte, waar 
Merwedekanaal en spoorlijnen accentueeren Utrecht's gunstige 
ligging voor het goederenvervoer zoowel te land als te water; naar 
alle kanten, verijlend in verre verschieten, Utrecht's wonderschoone 
omgeving met haar blanken overvloed van kleuren: de ,, Zege- 
pralende Vecht" en de schilderachtige Kromme Rijn, de groene 
weilanden, de zilveren plassen, de zandhoek met zijn heide, het zacht- 
glooiende heuvellandschap oostelijk, met heel in de verte den toren 
van Amersfoort, de dorpen met hun karakteristiek silhouet van 
kerkjes en molens, de boschzoom met het mooiste landschap- 
schoon, dat ons land oplevert — ware het niet, dat Vondel's gedicht 
,,op d'afbeeldinge van Uitrecht" in 1654 te Amsterdam geschreven 
was ,,op een vel van zijn kasboek", men zoude meenen, dat hier, 
op Utrecht's Domtoren, Neerlands grootste dichter antwoord gevonden 
had op de vraag: ,,Hoe noemt men Uitrecht dan? Een Paradijs vol 
weelde ..." 



15 



Het spitse dak van den Domtoren, — hoe van nabij kunnen 
wij nu zien èn de meesterlijke constructie èn de meesterlijke 
herstelling — wordt bekroond door een vergulde windvaan : 
St. Maarten te paard. 

ST. MAARTEN is de schuts- 
patroon der stad. Weliswaar was 
het eerste Christenkerkje, dat 
hier in de Vlle eeuw gesticht 
was, onder bescherming van 
St. Thomas gesteld; een hard- 
steenen zerk op het Domplein 
tusschen de rails van Lijn III 
vermeldde vroeger (zijn de let- 
ters afgesleten of is de steen 
omgedraaid?) ,,Hier stond de 
Kapel van St. Thomas". In het 
laatst der Vlle eeuw werd de 
eerste Utrechtsche bisschopskerk 
echter aan St. Maarten, den 
Houten beeldje van St. Maarten in later in Nederland ongemeen 
het Centraal Museum. vereerden volksheilige toegewijd. 

De burgers van Utrecht droegen 
eeuwenlang den naam van Sint-Maartens-mannen en wanneer in 
de middeleeuwen de Hollanders de Stichtenaren aanvielen onder 
het krijgsgeroep ,, Holland! Holland!" beantwoordden de Utrechters 
den erfvijand met den martialen kreet ,,Sint Martijn, Sint Martijn!" 

St. Maarten, oorspronkelijk een Romeinsch krijgsman, lag anno 
332 in garnizoen te Amiens. De winter van dat jaar was buiten- 
gewoon koud, zoodat vele personen verkleumd langs den weg werden 
gevonden. In dien tijd ontmoette Maarten een gebrekkigen man, 
nagenoeg ongekleed en bibberende van de kou. Begaan met zijn lot, 
hakte hij met zijn zwaard zijn mantel in tweëen en gaf daarvan 
een stuk aan den bedelaar. In den hierop volgenden nacht droomde 
hij, dat Jezus, gehuld in den halven mantel, tot de Hem omringende 
engelen zeide: ,,Weet gij, wie Mij aldus heeft gekleed? Maarten, 
die tot nog toe niet gedoopt is, heeft Mij hiermede tegen de koude 
beschut." Tengevolge van dit visioen haastte Maarten zich den doop 
te ondergaan; hij was toen 22 jaar oud. Na den krijgsdienst te 
hebben verlaten leidde hij gedurende vele jaren een teruggetrokken 
en godsdienstig leven en werd in 371 tot bisschop van Tours gekozen. 
Aldus ongeveer de legende. 

De heilige Maarten wordt meestal afgebeeld in bisschopsornaat, 
zittende op een paard, terwijl hij met zijn zwaard een slip van zijn 
mantel afsnijdt om die aan den hulpbehoevenden bedelaar te geven. 
Beweerd wordt, dat het r o o d e veld in het wapen van Utrecht 
zou verbeelden de roode slip van St. Maarten's mantel; het witte 
of zilveren veld zou dan betrekking hebben op het witte onderkleed 
des bisschops ; het geheel : symbool der Christelijke milddadig- 
heid. 




16 




AUTO GARAGE OUDEN RIJN 

G. K. L. KECK 
OUDEN RIJN (U) 
TELEFOON No. 14706 



MODERNE REPARATIE INRICHTING, VOORZIEN 
VAN DE NIEUWSTE GEREEDSCHAPPEN VOOR 
REPARATIE AAN ALLE MERKEN AUTOMOBIELEN 

PRIJZEN UITERST BILLIJK 
STALLING VOOR AUTOMOBIELEN 
GARAGE DAG EN NACHT GEOPEND 



Ierland 



\\nippet willys knight 

4 EN 6 CYLINDER, PRIJZEN VANAF f 2550.— 



©G3|ö]|]D[£][ö][ö]©[ö]©(ö](3^ 



BANKETBAKKERIJ 



F. J. 




V \ "1 



VREEBURG 15 

- TELEFOON 10476 - 



: SPECIAAL : 
BOTERGEBAK 



Ik neem aan, vreemdeling, dat gij sterke beenen hebt, die 
de weelde der torenbeklimming hebben kunnen dragen; 
wij gaan nu, onder den Domtoren dóór, naar het DOMPLEIN. 
Een soort van huivering overvalt ons hier. Als een gevangenis- 
muur rijst de somber-grauwe dichtmetseling van den ver- 
minkten Dom voor ons op. Een vlaag van verlatenheid strijkt 
kil over het vreemdvormige plein en onwillekeurig rijst de 
vraag: is hier iets gebeurd, 'n ongeluk, 'n misdaad, 'n ca- 
tastrophe? Het voorgevoel bedriegt ons niet: inderdaad 
is bij een geweldige stormramp in 1674 het schip van de kerk, 
dat zich tot b ij n a aan den toren uitstrekte, ingestort en 
wat er nu nog als ,, Domkerk" staat is slechts een fragment, 
nog niet de helft meer van hetgeen er gestaan heeft. 
Wat van het eenmaal grandioze bouwwerk na de ramp over- 
bleef, werd eenvoudig (maar ook pas na drie jaren!) zooveel 
mogelijk ,, gedicht", terwijl het tusschen kerk en toren gesta- 
pelde, door onkruid overwoekerd puin — welk een toestand, 
een dergelijke ruïne midden in de stad! — bijna anderhalve 
eeuw^bleef liggen. Eerst in 1826 werden de resten finaal 
opgeruimd^en ontstond het tegenwoordige Domplein. 

Het móóie van de Domkerk ziet men eerst, als men links om het 
kerkgebouw heengaat en van uit de Domstraat den zijgevel op een 
afstand bekijkt. Van daaruit gezien heeft het gothische kerkgebouw 
nog zijn prachtige monumentaliteit en het naar voren springend 
transsept verbergt de afwezigheid van een langschip. Maar hier ziet 
men eerst recht, hoezeer de kerk gehavend, verwaarloosd, verbrok- 
keld en helaas ook verbroddeld is (men lette maar liever niet op 
den lompen ingang, dien men in 1678 aan de Domstraatzijde gemaakt 
heeft) ; die opeenstapeling van door weer en wind vervreten steenen, 
hoe zij, uitgeleefd, nog nauwelijks de door den tijd geknauwde pro- 
fielen vormen! Maar toch: hoe indrukwekkend en voornaam de 
mooie grauwe verweerdheid van sacristie en librye, met hoog en 
transparant daarboven het bleeke lichtgespeel door de doorglansde 
glazen van de koorvensters. 

Wandelen wij verder om de Domkerk heen, langs het ge- 
restaureerde koor met den kapellenkrans, dan komen wij 
door een wat achteraf verscholen poortje het kasteel- 
achtige gebouw iets verder-öp behoort tot de Universiteit — 
in de KLOOSTERGANG VAN DEN DOM (ook hier weer 
het minder juiste gebruik van het woord kloostergang waar 
kruisgang wordt bedoeld), die aan drie zijden een grasbe- 
groeid binnenplaatsje omsluit met in het midden een sierlijke 



17 



fontein, door een fijn bronzen beeldje, een lezenden klooster- 
ling, bekroond. 




Kruisgang, Transsept van de Domkerk en Domtoren. 

Het geheel van deze kruisgang: de gevoelige evenmaat[ der 
gothische boogvensters (zonder glasvulling zou het nog mooier 
zijn), de nabijheid der kerk met de hooge ramen, de grijze Dom- 



18 



toren, die zoo nu en dan met de neerdwarrelende metaalschilfers 
van zijn carillon, gevolgd door den manenden roep van zijn uur- 
slag, den stillen hof in geluid zet, de droomerige rust van dit van 
de wereld afgesloten pleintje, het is alles vol middeleeuwsche 
stemming, vol van een innigen eenvoud en een devote vroomheid. 
Boven de vensters van de kruisgang zijn tafereelen uit het leven 
van St. Maarten gebeeldhouwd en qua curiositeit lette men in het 
uiterste venster rechts (we staan met den rug naar de kerk) op 
de in steen gehakte touwen, die het maaswerk schijnen bijeen 
te moeten houden. Vanuit het uiterste hoekje links de schoone 
illusie van de weidsche kerk en den hoogen toren als één geheel. 

Door een poortje, tegenover dat, waardoor wij de kruis- 
gang zijn binnengetreden, komen wij weer op het Domplein 
en wanneer wij dan van hieruit den blik richten op toren 
en kerk, treft wel zeer sterk het isolement van den toren en 
het ontbreken van het langschip. 

Onwillekeurig denkt men, dat kerk en toren één geheel hebben 
uitgemaakt. Toch — en dit is voor den Dombouw te Utrecht wel 
zeer merkwaardig — zijn toren en kerk, ook toen het lang- 
schip nog niet was ingestort, nimmer geheel aan 
elkaar verbonden geweest; tusschen beide afzonderlijke 
bouwwerken was een nauwe doorgang overgelaten, door een breeden 
boog overbouwd. En dit wel om een zeer bizondere reden: vóórdat 
in 1254 met den bouw van de huidige (gothische) Domkerk be- 
gonnen werd, stond op het tegenwoordige Domplein, ter hoogte 
van het standbeeld van Jan van Nassau, een andere (romaansche) 
, kapittelkerk aan St. Salvator gewijd, welk gebouw, bekend onder 
den naam van Oud-Munster, tot 1587 naast de nieuwe, massale, 
gothische St. Maarten is blijven staan. Indien nu toren en kerk aan 
elkaar vastgebouwd waren, zou de toegang tot de Oud-Munster 
vrijwel afgesneden zijn geweest; vandaar, dat men tusschen kerk 
en toren, als toegangsweg „om te gaen naer St. Salvatoor onder 
den Domtoren door", een nauwen doorgang vrij liet. In den (ver- 
dwenen) westgevel der kerk, dus vlak achter den toren, gaven twee 
groote deuren tegenover den toren-onderdoorgang toegang tot het 
interieur van den Dom. 

De tegenwoordige ingang van den Dom is, na de prachtige 
herstelling, welke het gebouw in de jaren 1919 — 1926 inwendig 
onder leiding van Prof. Dr. Ir. D. F. Slothouwer heeft onder- 
gaan, door de beide, aan de rechterzijde der kerk naar voren 
stekende kapellen. 

Gaan wij thans de DOMKERK binnen. 

De kerk is dagelijks te bezichtigen van 9 tot 4 uur tegen f 0.25 
per persoon. Men wende zich tot den koster (Dienstgebouw der 
Ned. Herv. Kerk, Domplein No. 3). 



19 



TE S' MARTENS.KEiU K EN TOOREN ETNNEN UTRECHT AN? MDCKX 




Domkerk en Domtoren in 1660. 



Wij betreden de oudste gothische kerk van Neder- 
land: meer dan honderd jaar ouder dan de Nieuwe Kerk te 
Delft en bijna twee eeuwen ouder dan de St. Jan te 's Her- 
togenbosch. 

BOUWGESCHIEDENIS. Eerste steen der kerk (koor) gelegd in 
1254 door Bisschop Hendrik van Vianden; in 1288 is van het koor 
het hoogaltaar en een kapellenkrans van vijf kapellen voltooid; 
daarna wordt begonnen met den bouw van eenige traveeën van het 
hoogkoor met kooromloop, welk werk in 1317 voltooid moet zijn 
geweest; 1321 eerste steenlegging van den toren, waaraan tot zijn 
voltooiing in 1382 wordt voortgewerkt; gedurende dezen zestig- 
jarigen torenbouw staat de kerkbouw stil; einde XlVe eeuw bouw 
van het groote kapittelhuis, van de sacristie (1396) en van den ooste- 
lijken en zuidelijken arm van de kruisgang; omstreeks 1456 begint 
de bouw van het transsept, in 1479 voltooid; 1460 voltooiing van 
de kruisgang door aanbouw van den westelijken arm; in 1481 
wordt begonnen met den bouw van de thans geheel verdwenen drie 
oostelijke traveeën van het schip der kerk (tusschen het dwarsschip 
en den toren) met bijbehoorende kapellen; daarna (1485) bouw 
der, eveneens verdwenen, westelijke traveeën; 1487 het geheele 
schip voorloopig overkapt; in 1492 houdt bisschop David van Bour- 
gondië zijn plechtigen intocht en wordt het kerkgebouw in zijn 
geheel in gebruik genomen. Na 1492 worden nog enkele kapellen 
en o.m. ook de librye (1496) bijgebouwd. In 1517, nadat er dus 
2 y 2 eeuw aan gewerkt is, wordt de bouw gestaakt. De bouw is dan 
nog niet af: gewelven noch luchtbogen van het schip waren tot 
stand gekomen; een — aanvankelijk met stroo gedekte - — houten 
kap vormde de afdekking. 

De fragmentarische, met horten en stooten vorderende bouw- 
geschiedenis verklaart de verscheidenheid in bouworde, aan verschil- 
lende gedeelten te bespeuren. Toen in 1517 de bouw voor 
altijd werd stopgezet, kon — de goede tijd was intusschen voorbij — 
nog slechts aan de inwendige afwerking eenige zorg besteed 
worden, totdat de spoedig daarop losgebarsten beeldenstorm de 
kostbare kunstschatten van houtsnijkunst, beeldhouwwerk en edel- 
smeedkunst vernielde, de Hervorming door betimmering aan de 
inwendige architectonische schoonheid van het gebouw niet minder 
schade bracht en eindelijk de stormramp van 1674 van den luister 
der eenmaal machtig imponeerende kathedraal niet veel meer 
overliet dan een verminkt en verwond fragment, dat sinds 1585 
voor den protestantschen kerkdienst ingericht, na de laatste restau- 
ratie, toch nog een geweldigen indruk maakt; al wandelt men 
er langs . . . ruïnes. 

Zoodra wij de kerk zijn binnengetreden en de twee door 
houten kolonnaden afgesloten, met groote grafzerken be- 
vloerde kapellen zijn gepasseerd, krijgen wij dadelijk den 
mooisten kijk in het kerkruim, schuin door het koor; machtig 



21 



treft ons van onder de lage zoldering der kapel de enorme 
ruimtewerking van het kerk-interieur, de statige rijzing der 
omhoog-strevende pijlers, de edele welving der spitsbogen. 
De leegheid — slechts hier en daar is nog oude muur- 
schildering aanwezig — wordt aangenaam verzacht en 
verteederd door de in licht-rooden baksteen aangezette 
bogen der kapellen, de polychromie van de sluitsteenen der 
koorgewelven en de bleeke tapijtschilderingen der zuilen, 



Poortje op het Domplein. het in modernen stijl fraai 



met hooge betimmering en doophek bevinden, dan zien wij 
recht voor ons uit, het koor: een rhytmische verglijding 
van zuil na zuil, van bogen en gewelven, een wondere 
bekoring van opwaarts spelende lijnen, slechts even onder- 
broken door den horizontalen band van het triforium, de 
sierlijke, hoog aan de binnenzijde der kerk rondloopende 
dienstgalerij , die de bovenramen van het schip tot krachtige 
uitdrukking doet komen. En de gedachte flitst door ons hoofd: 
hoe schoon moet de kleurige lichtschijn over het koor ge- 
schemerd hebben, toen de ramen daar hoog in de lucht nog 
van geschilderd glas waren en vol stonden van ,, heiligen, 
gemijterd en gestaafd, gemartelaard, gemaagdekroond, ge- 



die eenmaal als achtergrond 




gediend hebben voor de 
kleurige apostelbeelden, waar- 
van alleen hier endaar de bal- 
dakijnen, die de beelden over- 
huifden, overgebleven zijn. 
Wanneer wij ons, om ons 
eerst in den algemeenen 
indruk te vermeien, door het 
transsept, waarvan het gewelf 
nog van hout is, (hetgeen 
door verschil in kleur met 
de koor -gewelven nog 
wordt geaccentueerd) naar 
het midden begeven en den 
rug toekeeren aan de dicht- 
metseling, waartegen in 1831 
het orgel is aangebracht en 
waartegen zich thans ook 



i 



uitgevoerde spreekgestoelte 



22 



hertoogd en gegraaid", die heerlijke vensters, waarvan niets 
meer over is dan wat scherven en waarvan het nieuwe Evan- 
gelistenraam in het zuider-transsept het verlies des te smarte- 
lijker doet gevoelen. 

Het Evangeliste n-r aam! Ook hier een herhaling 
van wat wij telkens opnieuw en op geheel andere gebieden in 
Utrecht zullen kunnen waarnemen: ook hier ,,neues Leben", 
dat ,,auf Ruinen blüht!" Een nieuwe glorie, een jonge jubel 
op een plaats, waar bijna alles gedempt spreekt van den 
weemoed van het vergankelijke; 'n moderne schoonheids- 
vreugde, waar zooveel oude schoonheid haar graf vond èn 
haar vernietiging. Een rijpe en machtige schepping, dit Evan- 
gelisten-raam van Roland Holst, groot van afmetingen, 
grootsch van eenvoud, schoon van kleuren en vooral: van 
kleur-g e s p e e 1, indrukwekkend door de kracht der getui- 
genis, in alles zich prachtig aanpassend aan het essentieele 
karakter van dit eeuwen-oude gothische bouwwerk. Men 
lette op de gebaren der Evangelisten en op de uitdrukking 
hunner gezichten, op de compositie der vier figuren, op de 
kracht en heerlijkheid, waarmede uit hun groep oprijst het 
Kruis; men lette vooral op de uit de diepte naar boven op- 
klarende devotie der sprankelende kleuren, — van het wit 
tot het hevigst donkere paars — op den jubel, waarmede, 
boven Kruis en Evangelisten, opgloeit en openlaait de zuivere 
vreugde, de eeuwige glorie van het Allerhoogste Licht . . . 

MONUMENTEN bevat de Domkerk bijna niet en wat er is, is deerlijk 
gehavend; één monument, helaas het minst beteekenende, en daar, 
waar het staat, meer hinderlijk dan harmonieerend, maakt daarop 
een uitzondering: het pompeuze grafmonument van den vlootvoogd 
uit den de-Ruyter-tijd: W. J. baron van Gendt, die in 1672 in den 
zeeslag bij Solesbay het leven liet. Het zwierige, meer vaardige dan 
geestrijke, monument werd door Rombout Verhulst in 1676 ver- 
vaardigd. 

Van innige schoonheid is de, naast deze tombe, tusschen twee 
pijlers van het koor opgestelde, cenotaaf van bisschop George van 
Egmond (uit het jaar 1549). Hetgeen er thans nog van het zwart- 
met-gouden monument over is, mist bijna alles, wat het eenmaal 
tot een indrukwekkend grafmonument moet hebben gemaakt; 
mist, onder den, behouden gebleven, renaissance-toog het beeld 
van den bisschop, in kleurig geestelijk gewaad, geknield naar het 
altaar toegekeerd als werd hij geacht, in steen gehouwen, altijd 
tegenwoordig te zijn, wanneer op het hoog-altaar de door hem ge- 
stichte mis werd opgedragen, waarvan de oorkonde op vergulde 
tafels in zijn grafmonument afgebeeld staat. 



23 



Engelenfries je van het Heilig Graf in de Domkerk (1501). 

De begeleider, dien de koster ons medegegeven heeft, zal ons nog 
de vroegere kapellen wijzen met fraaie consoletjes en gebeeldhouwde 
engel-figuurtjes (de Roelofskapel) en, in den koorcmgang nog, zwaar 
gehavende grafmonumenten: dat van bisschop Guy van Avesnes en 
het leege grafmonument van een in 1706 gestorven gravin van Solms 
en ook zal hij ons wijzen de ontruimde grafkapel van bisschop Jan 
van Arkel, wiens steenen tombe uit elkander geslagen werd om de 
brokstukken ervan te gebruiken voor den sokkel van het wit-geverf d 
houten hek, dat de kapel afsluit. Maar van meer belang dan 
deze historische herinneringen is, in de kapel van Guy van Avesnes, 
een in 1919 voor den dag gebrachte muurschildering, dateerend 

uit de eerste helft der XVe eeuw, een 
kruisiging voorstellende, en in de kapel 
van Jan van Arkel, een in den muur 
teruggevonden XVe eeuwsch beeld- 
houwwerk, dat eenmaal tot een, aan 
St. Anna (de moeder der H. Maagd) 
gewijd altaar moet hebben behoord. 
Prachtig is dit, overigens gruwelijk ver- 
nielde beeldhouwwerk, van coloriet; 
alle kleuren zijn in volle helderheid 
behouden gebleven. De verminking 
van de gezichten der fijne figuurtjes 
van de verschillende om de H. Maagd 
met het Kind gegroepeerde heiligen, 
heeft tijdens de beeldenstormerij plaats 
gehad. 

In den kooromgang, achter het 
monument van van Gendt staat nog 
een wondermooi ,,H e i 1 i g G r a f". 
Helaas is ook dit kunstwerk aan 
Heilig Graf in de Dom- alle kanten verminkt en stukgeslagen 
kerk (1501). en bovendien door het daarachter 

tegenaangebouwde zeeheldengraf mee- 
doogenloos bedorven. „Heilige Graven" treft men véél in oude kerken 
aan: in de tijden, toen de bedevaarten naar Jeruzalem tot de verdienste- 
lijke werken benoorden, bestond er ten behoeve van hen, die geen 
reis naar het Heilige Land konden ondernemen, in bijna elke kerk 
van eenige beteekenis een voorstelling van het Heilige Graf: voor- 

24 




werp steeds van groote devotie. Het Heilige Graf, waar wij thans 
voorstaan, is daar neergezet in 1501; in de aan de voorzijde met 
slapende wachters gebeeldhouwde sarcophaag rust het lichaam van 
Christus, waaro verheen zich, gedragen door fraai gehakte kapiteelen, 
een rijk versierde boog verheft. Bizonder fraai is de breede kroonlijst 
met haar engelenfiguren. „In dit prachtig engelfriesje" schrijft 
Jonkvr. de Jonge in haar monographie ,,de Dom te Utrecht", ,,waar 
de vier paren elkaar toegewende engelfiguren steeds een ander 
gebaar van droefheid uitdrukken, is wel het allermeest die vluch- 
tige, schetsachtige, men zou bijna zeggen impressionistische uit- 
drukking der gothiek verkregen, die 
een late uiting dezer kunst is". 

In het linker gedeelte van den 
kooromgang prachtig houtsnijwerk 
aan een deur, met steenen beeld- 
houwwerk omlijst. Deze deur (uit 1497) 
gaf, van de kerk uit, toegang tot 
de sacristie. Volgens kenners is deze 
deur „een der fraaiste deuren, die 
uit den gothischen tijd tot ons zijn 
gekomen". 

Bij de laatste plaats gevonden 
herstelling is de Domkerk van nieuw 
meubilair voorzien: preekgestoelte 
met klankbord, doophek, vaste en 
losse banken en tochtpui met tocht- 
deur. De kerk heeft thans 1050 zit- 
plaatsen. 




Gothische deur in de Dom- 
kerk (1497). 



In den hoek van het D o|Yn- 
plein het UNIVERSITEITSGE- 
BOUW, in 1893 in gebruik geno- 
men. Vanbinnen is er, voorsight- 
see-ende vreemdelingen, niet veel 
bizonders (in het trappenhuis een geschilderd glasraam van A. 
J. Derkinderen). Toch treden wij het gebouw binnen om te 
gaan zien: DE ZAAL WAAR DE UNIE VAN UTRECHT 
GESLOTEN WERD en die thans ingericht is tot Groot- 
Auditorium der Universiteit. Oorspronkelijk was het de ka- 
pittelzaal der Domkerk, door de kruisgang met de kerk verbon- 
den. De zaal dateert uit 1409 (althans werd in dat jaar met den 
bouw begonnen) en werd door Dr. P. J. H. Cuypers gerestaureerd. 
23 Januari 1579 werd hier de Unie van Utrecht onderteekend; 
ter herinnering daaraan prijken in de vensters de gekleurde 
wapens der zeven provinciën. Aan den wand tegenover 
het spreekgestoelte een trophee van wapens en vlaggen: 



25 



herinnering aan de 
Vrijwillige Jagers van 
de Utrechtsche Hooge- 
school uit den Tien- 
daagschen Veldtocht 
van 1830. 

In de oude Senaatska- 
mer van het Universiteits- 
gebouw is nog een fraaie 

schoorsteenmantel uit 
1694; in een nieuw ge- 
deelte van de Universiteit 
de nieuwe Senaatskamer, 
waar, uit honderden paren 
schrandere professoren- 
oogen bijna drie eeuwen 
van wetenschap op ons 
neerzien. 

Als inrichting van on- 
derwijs dateert de Hooge- 
school — reeds in 1470 
werd te Utrecht gepoogd 
een Hoogeschool op te 
richten — uit het jaar 
1636. (De Leidsche en Gro- 

|< ningsche Universiteiten 

zijnouder: 1574 en 1614). 
Zaal, waar de Unie van Utrecht gesloten Aan de Hoogeschool ging 
werd (thans Groot- Auditorium der Uni- een Illustre School vooraf, 
versiteit). gesticht in 1632. In 1811 

vernederde Napoleon haar 
tot een ,,Ecole secundaire", maar in 1813 werd de Utrechtsche Alma 
Mater weder in haar oude eere hersteld en in 1815 tot Rijksinstelling 
verheven. Er wordt onderwijs gegeven in de faculteit der Godgeleerd- 
heid (faculteitskleur: roze), der Rechtsgeleerdheid (rood), der Genees- 
kunde (groen), der Wis- en Natuurkunde (geel), der Letteren en 
Wijsbegeerte (blauw) en sedert 1925, na de opheffing der Veeartsenij - 
kundige Hoogeschool, ook in de faculteit der Veeartsenijkunde 
(paars). Op 31 December 1926 bedroeg het aantal hoogleeraren 
93 en het aantal ingeschreven studenten 2188. De zinspreuk der 
Utrechtsche Universiteit luidt: Sol Justitiae illustra nos (De zonne der 
Gerechtigheid verlichte ons) . Verschillende wetenschappelijke inrich- 
tingen en verzamelingen zijn in, door de geheele stad verspreid lig- 
gende, gebouwen gehuisvest. 

Vlak vóór het Universiteitsgebouw staat het STANDBEELD 
VAN JAN VAN NASSAU, den broeder van Willem den Zwijger, 




25 




Universiteitsgebouw met standbeeld van Jan van Nassau. 



als herinnering aan wat Graaf 
Jan de Oude (1535—1606) 
gedaan heeft voor- de tot- 
standkoming van de Unie 
van Utrecht. Tegenover het 
Wed een mooie renais- 
s a n c e-g e v e 1 uit 1550 
(de rechter helft van jonge- 
ren datum) rijk behandeld 
en voorzien van ankers uit 
het laatst der XVI Ie eeuw. 

Wij steken nu het Dom- 
plein over; langs de Dom- 
kerk heen komen wij dan 
in de Voetiusstraat, waar 
de bekende theoloog Gijs- 
bert Voet (1589—1676) ge- 
woond heeft, vlak in de 
buurt van zijn groote gees- 
telijkevriendin Joffrou Anna 
Maria van Schurman, een 




Openbare Leeszaal. 



27 



vrouw van buitengewone begaafdheid en fenomenale talen- 
kennis (1607 — 1678). In de Voetiusstraat het gebouw van 
de OPENBARE LEESZAAL (architect J. Stuivinga), met 
kinderleeszaal en blindenbibliotheek; verderop, op den hoek 
van het Pieterskerkhof, een vroeg XVIIe eeuwsche pilaster- 
gevel, met twee aardige trapgeveltjes aan het Pieterskerkhof; 
het huis zelf huisvest thans een school. 

Een curieus huis, dat wel even de moeite waard is om er 
langs te loopen, ligt hier vlak in de buurt: hoek Achter St. Pieter 
en Keistraat. De geheimzinnig uitgedoste gevel is rijkelijk met 
witgekalkte bloemguirlandes, spreuken en onverklaarbare sym- 
bolische figuren versierd; de deur vertoont een palmboom, de bel 
eindigde vroeger in een ijzeren krakeling, waaraan deze woning 
haar naam „De Krakeling" ontleende. Het huis werd gebouwd 
in 1664 door een zonderling heerschap, Everard Meijster, aan wien 
Amersfoort haar „kei" dankt (hij lïet in 1661 een groot granie- 
ten zwerfblok van de Leusderhei binnen Amersfoort sleepen) en 
die Utrecht gelukkig gemaakt heeft met allerlei, op de meest 
zotte wijze voorgedragen uitbreidingsplannen, waarvan niets terecht 
gekomen is. Het thans tot openbaar park ingerichte landgoed 
„Oog in Al" aan den Ouden Rijn dankt echter aan Meijster zijn 
ontstaan. 

Op het Pieterskerkhof de uitwendig weinig belangrijke, 
maar inwendig toch wel zéér merkwaardige ST. PIETERS- 
KERK. Het opschrift boven den ingang vermeldt twee jaar- 
tallen 1048 en 1583 en geeft tevens aan, dat in deze kerk de 
Waalsche Gemeente haar godsdienstoefeningen houdt. 

Ook aan dit gebouw heeft de tijd veel slooperswerk verricht. 
De twee torens, die eenmaal de kerk aan de westzijde gesierd 
hebben, zijn bij de stormramp in 1674 (dezelfde cycloon, die 
den Dom in tweeën spleet) vernield en de westgevel werd toen 
zoodanig gehavend, dat men hem geheel heeft laten ver- 
vallen en het langschip maar eenvoudig heeft ingekort. 
Belangrijk nochtans is de Pieterskerk voor Utrecht, in de 
eerste plaats, omdat zij het oudste kerkgebouw is en zij ons 
nog het best een denkbeeld geeft hoe een kapittelkerk er in 
de Xle eeuw uitzag; in de tweede plaats, omdat zij, mèt de 
Janskerk, de eenige overgebleven romaansche kerk is 
en juist z ij dat romaansch karakter vrij goed behouden 
heeft (in tegenstelling met de Janskerk, die inwendig bijna 
onherkenbaar gewijzigd is) en in de derde plaats, omdat de 
Pieterskerk het eenige kerkgebouw in Utrecht is, dat nog een 
ONDERAARDSCHE CRYPT heeft. 



28 



De Kapittelkerk van St. Pieter, gebouwd door bisschop Bernulphus, 
werd 1 Mei 1048 ingewijd. Oorspronkelijk was zij een tufsteenen, 
driebeukige kruiskerk, later grootendeels met baksteen bekleed. 
De romaansche bouworde vindt men het best getypeerd in het 
middenschip met zijn boven de lage zijbeuken opgetrokken, op twee 
rijen ronde zuilen rustende, wanden, waarin aan weerszijden zeven 
kleine ronde vensters. Van het meubilair is opmerkelijk de preek- 
stoel met koperen lezenaar en twee overhuifde banken, alles uit 
de XVIIe eeuw en drie geschonden bas-reliefs uit de XVe eeuw. 
Hier en daar resten van muurschilderingen: een kruisiging en een 

Onder het voormalige 
koor (dat thans met de 
vroegere sacristy ingericht 
is tot k >i terswoning) ligt 
de cryp^: zes korte zui- 
len door kubus-kapiteelen 
bekroond en versierd met 
de eigenaardige, den 
vroeg-romaanschen stijl 
kenmerkende zig-zaglij- 
nen, schragen de gewel- 
ven. Drie kleine vensters 
verlichten schraal de laag- 
gewelfde ruimte. Kerken 
met crypten vindt men 
weinig meer in ons land: 
de St. Servaas te Maas- 
tricht, de St. Lebuinus te 
Deventer, een kerk te Almelo en een te Rinsumageest. 
Wij gaan nu langs Achter St. Pieter in de richting van de 
Nieuwe Gracht. De straat, met oude aanzienlijke huizen, die 
echter meest alle aan hun oorspronkelijke patricische be- 
stemming onttrokken zijn, maakt een flauwe bocht; deze om- 
buiging geeft nog den loop aan van den Rijn, zooals die heel 
vroeger, in den romeinschen en merovingischen tijd, geloopen 
moet hebben rondom den burcht Trecht (Trajectum), de aller- 
eerste nederzetting te dezer plaatse, waaruit zich later het 
eigenlijke, buiten den burcht gelegen (vandaar Ultra- 
Trajectum, hetbuiten-Trechtsche) stadsgedeelte gevormd heeft. 
In deze straat ligt het GEBOUW DER PROVINCI ALEGRIFFIE, 
eenXVIIe eeuwsche woning met een nieuwen achterbouw, waar- 
in de bureau-lokalen en een fraaie vergaderzaal derProv. Staten. 
De straat heeft voorts eenige breede, oude gevels; gevels van 
huizen, die betere dagen hebben gekend. De gerestaureerde 
gevel van het gebouw van het Agentschap der Nederlandsche 
Bank vormt een rustigen overgang tot Paushuize. 




29 



Aan het einde van Achter St. Pieter komen wij op een bi- 
zonder fraai punt der stad, den PAUSDAM. De Nieuwe 
Gracht, een in nauwe diepte liggend water, omlijnd door 
laag beneden het straat-niveau gelegen werven; de Kromme 
Nieuwe Gracht, met haar uit het water rijzende huizen, 
waartoe bruggetjes van de straat af toegang verleenen; de 
verschillende oude straten, (Achter St. Pieter, Achter den 
Dom en Trans) die op dit punt uitloopen; dit alles: gracht, 
brug, huizen-décor en doorkijk op den Domtoren, vormt hier 
een der opmerkelijkste stadsgezichten uit ons land. Als een pre- 
cieuskleinood ligt op den hoek, statelijk oprijzend uit het donkere 




Pausdam en Paushuize in het jaar 1745. 

grachtwater: PAUSHUIZE, thans de ambtswoning van den 
Commissaris der Koningin. Het gebouw ziet er weinig 
kasteelachtig uit met de kleine torens op de dekstukken van 
zijn trapgevel en zijn Salvatorbeeld schuil gaand in de nis 
tusschen de vensters der eerste verdieping. Het heeft iets 
buitengewoon rustigs — de uit den jongsten tijd dateerende 
bijgebouwde knal-roode stalgebouwen aan de Kromme Nieuwe 
Gracht, sluiten we buiten ons gezichtsveld — iets in zichzelf 
gekeerds; niet vorstelijk, niet hoog, maar van een voornamen 
gesloten eenvoud. Het was een Utrechtsche jongen, ,,een 



30 



knaap met schitterende oogen en donker krullend haar", 
zooals het volksliedje van hem weet te vertellen, maar die 
het reeds tot kardinaal had gebracht, die het paleisje tusschen 
1518 en 1523 bouwen liet en er zoo graag zijn laatste levens- 
jaren in had willen doorbrengen, in dit huis, ,,dat mij liever 
is dan alle andere huizen te Utrecht; zelfs als ik Paus was, 
zou ik het laten bouwen en te Utrecht willen resideeren". 
Maar de kardinaal werd, voor het huis nog af was, inder- 
daad paus en Paus Adriaan VI, de eenige Nederlander in de 
lange rij der pausen, heeft deze woning nooit betreden. De 
naam alleen herinnert nog aan hem; Paushuize zou voor- 
taan dit mooie kasteeltje blijven heeten . . . 

Hij, die als Paus Adriaan VI den Heiligen Stoel beklommen 
heeft, werd 2 Maart 1459 uit eenvoudige ouders te Utrecht geboren; 
hij heette Adriaan Floriszoon en zijn geboortehuis stond in een zij- 
straat van den Springweg, de Brandsteeg. Zijn eerste opleiding 
ontving hij bij de Broeders des Gemeenen Levens; later studeerde 
hij te Leuven en verkreeg in 1491 de doctorale waardigheid. Hij was 
de vertrouwde van keizer Maximiliaan I, die hem in 1507 belastte 
met de opvoeding van zijn kleinzoon, den lateren Keizer Karei 
V; in 1515 werd Adriaan Flz. naar Spanje gezonden om er de 
belangen van zijn leerling te behartigen, waar hij in 1516 
voor Karei de regeering waarnam. In datzelfde jaar werd hij be- 
noemd tot bisschop van Tortosa en een jaar later tot kardinaal. 
Even voor zijn kardinaalsverheffing had hij het huis van het kapittel 
van St. Pieter gekocht en opdracht gegeven tot eene algeheele ver- 
bouwing, ongeveer zooals Paushuize thans nog bestaat. Toen Karei 
V in 1520 Spanje verliet, stelde hij Adriaan aan tot regent en na 
den dood van Leo X werd de Utrechtsche poorterszoon tot paus 
verheven. Hij overleed 14 September 1523, hetzelfde jaar, waarin 
de verbouwing van zijn Utrechtsche woning voltooid werd. 

Paushuize is in den loop der eeuwen vaakjvan bestemming 
veranderd; het is in het begin der XI Xe eeuw zelfs een tijdlang 
als logement geëxploiteerd, onder den naam van ,, Hotel 
van de Koningin van Holland", tot het Rijk in 1814 het huis 
aankocht en het bestemde tot ambtswoning van den gouver- 
neur der provincie. Niettegenstaande de talrijke wijzigingen 
en lotgevallen, is Paushuize het best bewaarde van Utrecht's 
fraaie, oude huizen. De ingang was oorspronkelijk Achter 
St. Pieter onder het tegenwoordige, later (begin 1700) daar 
aangebrachte balkon. 



31 



Wij zetten nu onze wandeling voort langs de NIEUWE 
GRACHT. 

(Wie tijd heeft om Utrecht nog eens op een anderen dag door 
te slenteren, wandele ook de Kromme Nieuwe Gracht in haar 
geheel af en dan tevens de Drift en de Plompetorengracht. 
Langs de Kromme Nieuwe Gracht vele oude huizen met fraaie 
deuren; ook hier en daar mooi hekwerk. Interessant en schilder- 
achtig de brugjes over de gracht vóór de deuren der huizen. 

De grachten behooren, met den Dom, tot de Utrechtsche 
essentialia: zonder de Oude en zonder de Nieuwe Gracht 




Kromme Nieuwe Gracht. 

zou Utrecht iets zeer karakteristiek-Utrechtsch missen. Merk- 
waardig is het verschil in karakter tusschen beide, onmid- 
dellijk in elkanders nabijheid liggende grachten : van dit zusteren- 
tweetal is de Oude Gracht de Martha, de bedrijvige; de Nieuwe 
Gracht de contemplatieve Maria. De Nieuwe Gracht is een 
eeuw jonger dan haar zuster; zij is ook veel kleiner — 
de watergeul is nauwer, de werven zijn smaller, de kaden 
lager — en verschilt ook in haar maar even gebogen loop, 
zeer van de Oude Gracht, die zich in de zonderlingste bochten 
door de drukke stad kronkelt. De Oude Gracht heeft in de 
vele eeuwen van haar bestaan steeds trouw en eerlijk, maar ook 
rommelig handel en scheepvaart gediend; de Nieuwe Gracht 
heeft altijd veel aristocratischer allures gehad en kenmerkte 
zich, door alle eeuwen heen, door de rustige ingetogenheid 
van ,,een oud stadje aan de water-gracht". 



32 




LUNCHROOM ASTORIA 

VREEBURGPLEIN23 



RESTAURANT 
T E A - R O O M 

UTRECHT - TEL. 12650 

A.vanSTUIVENBERG 



GERBRANDS' 

KUNSTHANDEL 

OUDKERKHOF 46 - UTRECHT 




PERMANENTE TENTOON- 
STELLING - TOEGANG VRIJ 



Aan het begin der Nieuwe Gracht, rechts, (dit gedeelte der 
gracht heet Runnebaan; in den Romeinschen tijd zou hier een 
renbaan geweest zijn) ee.i oude, zandsteenen poort uit om- 
streeks 1640, de HOFPOORT, die oudtijds toegang gaf tot 
de, helaas, geheel verdwenen St. Paulus-Abdij, eens 
de rijkste en machtigste kloosterinrichting van het Sticht. 
Door deze poort kan men thans het DUITSCHE HUIS DER 
RIDDERLIJKE ORDE BALIJE VAN UTRECHT bereiken, 
welke adelsvereeniging daar haren zetel heeft, gelijk aan de 
overzijde der Nieuwe Gracht de SOUVEREINE ORDE VAN 
MALTA (de Johanniters) zetelt. Ook het zeer oude huis, dat 




Nieuwe Gracht. 

men van de Hofpoort uit aan de' overzijde der gracht ziet 
liggen, met het kleine boogpoortje en een aardig gevel- 
steentje daarboven — in de XVIe eeuw bekend als ,,d' hu y- 
singe van Loenersloo t"; tot voor eenige jaren was 
er het Aartsbisschoppelijk Museum in gevestigd, - — geeft aan 
het grachtbeeld een eigen accent. Er zijn meer typische 
dingen langs deze gracht te zien, aan gevels, (zie de boven- 
gevels der perceelen no. 37 en 39), deuren, en stoepen; men 
lette ook op de oude loopen van kanonnen, die gedeelte- 
lijk in den grond gegraven, als stoepbeschermers dienst doen. 



33 



Bij de Brigittenbrug onderbreken we een oogenblik 
onze grachtwandeling om rechtsaf een nauw straatje (de Ca- 
tharijnesteeg) in te slaan, dat ons in de L a n ge Nieuw- 
straat doet belanden. Op den hoek van de Catharijnesteeg 
vinden we daar aan de eene zijde de Metropolitaankerk van 
St. Catharina en aan de andere zijde de kleine Stads- 
vleeschhal (middeleeuwsch, doch onherkenbaar afgetuigd) . 

Oud-Utrecht had voor den verkoop van vleesch, in een tijd, toen 
aan de leden van het machtige Vleeschhouwersgilde de vleesch- 
verkoop ten eigen huize niet geoorloofd was, twee vleeschhallen, een 
in het z.g. ,, boveneinde" der stad (de hal, waar wij thans vóór staan) 
en een in de „benedenstad", n.1. aan de Voorstraat. 

De KATHEDRAAL VAN ST. CATHARINA, een driebeu- 
kige, baksteenen kruiskerk met langkoor, is van zeer ouden 
datum. Toen in 1580 aan de katholieken in Utrecht de open- 
bare uitoefening van hun eeredienst verboden werd, had deze 
kloosterkerk reeds meer dan honderd jaar dienst gedaan: na 
daarop twee en een halve eeuw aan haar oorspronkelijke be- 
stemming onttrokken geweest te zijn, werd zij in 1840 weder 
voor goed aan de roomsch-katholieken afgestaan en in 1853, 
na het herstel der bisschoppelijke hiërarchie verheven tot 
metropolitaankerk der Nederlandsche kerkprovincie. 

Ook dit kerkgebouw heeft in den loop der tijden veel lief en leed 
meegemaakt. De bouw ervan werd in 1469 begonnen, en in 1550 
voltooid, nadat in 1528 de Ridders van St. Jan van Jeruzalem, 
uit hun klooster op het Catharij nevelt (Vredenburg) verdreven (op 
de plaats van dat klooster wilde Karei V het kasteel Vredenburg 
bouwen), hun intrek genomen hadden in het Agatha Klooster der 
Carmelieter-monniken aan de Lange Nieuwstraat, welk klooster 
sinsdien zijn naam veranderde in Catharij ne-convent. De wes- 
telijke gevel werd ontworpen door denzelfden bouwmeester, die 
het kasteel Vredenburg heeft gebouwd: den Mechelschen bouw- 
meester Rombout Keldermans uit de beroemde Vlaamsche 
architectenfamilie, wier naam verbonden is aan den bouw van het 
fraaie stadhuis en de beroemde kerk te Veere. Na de Hervorming 
brak ook voor dit kerkgebouw een tijd van verwaarloozing aan; 
eerst bleef het lang ongebruikt, daarna werden er troepen in ge- 
kazerneerd; in 1635 gingen de hervormden er hunne godsdienst- 
oefeningen houden. In 1819 werd de Catharijne-kerk garnizoenskerk 
voor r. k. militairen. De oude roem keerde voor dit Godshuis eerst 
in 1840 terug, toen de kerk weder geheel voor den R. K. eeredienst 
in gebruik werd genomen. In 1861 onderging het gebouw een algeheele 
restauratie; het werd o.a. inwendig gepolychromeerd. In 1900 werd het 
langschip met één travee verlengd en voorzien van een nieuwen 
voorgevel, die zooveel mogelijk gecopieerd werd naar den oor- 
spronkelijken Keldermansschen gevel uit 1550. 



34 



Laat ons dit kerkgebouw ook van binnen gaan bekijken. 

Het interieur dezer katholieke kathedraal is een inkeeren tot 
innigheid. De gebrandschilderde vensters zijn het werk van Utrecht- 
sche kerkschilders uit den lateren tijd en de met kwistig beeldhouw- 
werk — statuetten der twaalf apostelen — voorziene preekstoel 
werd in 1872 op de Wereldtentoonstelling te Londen aangekocht. 
De verschillende altaren zijn rijkelijk versierd; de kerk bezit een 
fraaie collectie zilveren kerksieraden, voornamelijk XVIIe eeuwsch 
drijfwerk. Bij hooge kerkelijke plechtigheden, als de kerkdienst 
door Z. D. H. den Aartsbisschop zelf wordt geleid, is de koorvloer 
bedekt met een kostbaar tapijt. 

Naast de kathedraal is in de houten schutting langs de 
Lange Nieuwstraat een poortje, waarboven het opschrift: 
BRANDWEER MUSEUM. Het gebouw, waartoe dit poortje 
toegang geeft, is een deel van het voormalige Catharijne 
convent en van belang is vooral de in restauratie zijnde 
kruisgang. Wij hebben op onze wandeling reeds twee kruis- 
gangen bezocht: die van St. Marie en de ,, kloostergang" van 
den Dom; deze derde kruisgang, de KLOOSTERGANG VAN 
St. CATHARIJNE, nog maar ten deele intact, is van de drie 
de jongste. Zij dateert uit de eerste helft der XVIe eeuw. Het 
mooiste hoekje is wel de kleine kapel en de vooruitsprin- 
gende traptoren. 

Het BRANDWEER-MUSEUM is ingericht door het gezelschap 
Utrechts Brandweer en de Koninklijke Nederlandsche Brandweer 
Vereeniging. Men vindt er verschillende modellen van brandspuiten 
van zeer ouden datum af, brandbluschmiddelen, brandvrij beklee- 
dingsmateriaal, een prentenkabinet, een verzameling foto's betrek- 
king hebbende op belangrijke branden, portretten van den uitvinder 
der slangenbrandspuit Jan van der Heyden en van verscheidene 
brandweer-autoriteiten. Het nog zeer jonge museum geeft reeds 
een interessant beeld van de ontwikkeling van het brandweerwezen. 

Het oude Catharijne-convent heeft van 1815 af dienst gedaan als 
Militair Logement, voor tijdelijke huisvesting van doortrek- 
kende militairen. 

Wij keeren nu door de Zuilenstraat naar de Nieuwegracht 
terug en loopen nog even de gracht een klein eindje af. 
Het valt den vreemdeling niet zoo op en daarom maak ik er 
U maar op attent, dat naast het huis No. 87 een poortje 
is en dat het huis daarnaast het nummer 119 draagt. Het kleine, 
verdoken poortje telt dus voor 15 perceelen. Inderdaad is 
dat zoo: achter de nauwe gang, waartoe dit poortje toegang 



35 



geeft, liggen de SIONSKAMEREN, een tusschen de achter- 
gevels van hooge huizen schuilgaand plukje woninkjes, met 
een straatje ervoor en tuintjes aan de overzij. Het lijken, met 
hun witgekalkte onderpuien, wel oude vrouwtjes, die zich in 
het zonnetje zitten te koesteren, propere ouderwetsche bakers 
met groote witte schorten en onder 't neepjesmutsje 'n ge- 
rimpeld, verweerd gelaat; grootmoedertjes, die glunder en toch 
ook } n beetje verlegen, de bloemetjes op hun ouden dag nog 
voorzichtig buiten zetten . . . 

Een schoenmaker, pelgrim naar het Heilige Land, stichtte in 
het begin der XVe eeuw dit gemoedelijk hofje. Elk huisje draagt 
ook hier waarschijnlijk wel zijn kruisje, maar ook een gewijden 
naam: de Drie-Eenheid, Jezus, Maria en denamen der twaalf aposte- 
len. „Godscameren" werden dergelijke woninkjes genoemd, omdat 
zij om Godswil, d.w.z. „om niet" werden afgestaan aan armen 
en behoeftigen» 

Ik zou nu wel, door het nauwe poortje weder op de 
gracht gekomen, deze gaarne verder met U afwandelen — 
het laatste gedeelte draagt den naam van Onder de 
Linden naar de lindeboomen, die hun kruinen in het 
grachtwater weerspiegelden — ware het niet, dat het misschien 
meer aan te bevelen ware terug te keeren tot de Q u i n t ij n s - 
brug tegenover de Zuilenstraat, die brug over te steken 
(zie even links: de grachtidylle met heel aan het einde den 
Domtoren en het hooge dak der Domkerk) en door de, naar 
verbreeding hunkerende Schalkwijkstraat ook iets te 
gaan zien van onze mooie bolwerken. En als we dan aan het 
einde van de Schalkwijkstraat gekomen zijn, is het weer eerst 
een oud, interessant gebouwtje, dat onze aandacht trekt: het 
middeleeuwsche gasthuis „LEEWENBERCH", thans (maar 
niet voor heel lang meer) als Pharmacologisch Instituut in 
gebruik, nadat er jarenlang — een steen in den zijgevel houdt 
de herinnering daaraan levendig — de beroemde schei- 
kundige Gerrit Jan Mulder (1802—1880) in dienst van het 
,, scheikundig onderwijs en onderzoek" gearbeid heeft. 

Het Leewenberch's gasthuis dateert uit 1567, toen joffrou 
Agnes van Leewenberch (ook dit feit staat op een steen in den 
zijgevel geboekstaafd) een legaat voor de oprichting beschikbaar 
stelde. Zoo'n middeleeuwsch gasthuis bestond meestal uit een lang- 
gerekte zaal, eigenlijk een breede middengang, met aan weers- 
zijden een rij kleine vertrekjes of een rij bedsteden, waarin de pa- 
tienten en dikwijls ook de gaande en komende man, een nacht 



36 



verblijf vonden. Aan het einde van de gang bevond zich de kapel 
van het gesticht, waar dagelijks de mis werd opgedragen. Dit middel- 
eeuwsch gasthuis-karakter heeft Leewenberch — een baksteenen 
gebouw zonder verdieping, kleine uitbouwen aan de hoeken, een 
hoog dak, leeuwtjes op de topgevels, rijzige spitsboogvensters — 
in zijn architectuur zeer goed bewaard. In 1799 werd dit gebouw 
tot ,, militaire barakken aangelegd." 

Mijn plan is het nu, vreemdeling, rechts af te slaan en het 
hooge bolwerk te beklimmen, maar wilt gij nog even een aardig 
bro 1 je oud-Utrecht zien, — dergelijke hoekjes geven aan de 
stad eenzelfde bekoring als de patina aan het antieke brons — 
wandel dan links het achterwegje in, dat Lepelenburg heet. 

Gij vindt daar een rijtje van 
12 woninkjes, eertijds veilig 
verscholen achter den be- 
schermenden stadswal en in 
1621 door Frederik Brunt ge- 
sticht voor brave ouden van 
dagen, die den r. k. gods- 
dienst belijden. De fundatie 
heet naar haren stichter de 
BRUNTENHOF en het nog 
aanwezige mooie poortje uit 
1621 gaf toegang tot de regen- 
tenkamer. De huisjes zijn wat 
achterover gezakt en met hun 
Bruntenhof. witgekalkte muurtjes en de 

smalle groene deurtjes (waar- 
boven groote antieke cijfers het huisnummer aangeven) doen ze, als 
ouderwetsch straatje, toch wel aardig aan. 

Wij bevinden ons hier aan de grens der binnen-stad: wat 
zich rechts en links aan onze oogen vertoont, is vroeger de 
breede, hooge grachtwal geweest, die het veel omstreden 
Utrecht tegen vijandelijke aanvallen moest beschutten. En 
wanneer wij vóór Leewenberch rechts de met zwaar geboom te 
begroeide hoogte opgaan, die nu aan weerszijden met planten 
en groen in één heerlijken plantsoenaanleg, het Servaas 
Bolwerk, is opgenomen, is het moeilijk er ons in te denken, dat 
wij wandelen op den ouden vestingwal, al herinnert de zware, 
vroeger onmiddellijk uit de singelgracht oprijzende steenmassa, 
waarop de STERRENWACHT gebouwd is, aan de ronde bol- 
werken, die grimmig den vijand ontzag moesten inboezemen. 
Wanneer gij aan Uw bezoek aan Utrecht nog een dagje aan- 




37 



knoopt — heusch, vreemdeling, om Utrecht goed te zïen ? 
is één dag te weinig — en een uurtje besteden wilt om een 
tochtje langs de singels te maken — wij zien aan de over- 
zijde van de gracht den buitensingel liggen — dan zult ge 
duidelijk de overblijfselen van den ouden wal hier en daar 
tusschen het groen der parken zien opdoemen en als wij nu, 
op dit oogenblik, wat meer tijd aan onze rondwandeling konden 
besteden, zou ik met U ook even onderlangshet bol- 
werk gaan, waar een aardig slingerpaadje langs het stille 
water loopt. Maar we dalen van SONNENBORCH — zoo heette 
het voormalig bolwerk, op welks zware kluisgewelven de Ster- 
renwacht is gebouwd — weder naar de zijde der binnenstad af, 
om door het met zwaar en mooi geboomte beplante Ser- 
vaaspark (eenmaal het domein van de, ook al verdwenen 
St. Servatius-abdij, het statige convent voor adellijke maagden) 
nog net de Nieuwe Gracht een afscheidsgroet te kunnen 
brengen, voor zij in de singelgracht wegsluipt. En wij willen 
het afscheid van deze grachtidylle voor nog een kleine wijle 
rekken, door aan de overzijde der Nieuwe Gracht een kort 
bezoek te brengen aan den HORTUS BOTANICUS, (de hard- 
steenen pijlers van het ijzeren hek dragen haast onleesbaar 
het opschrift Hortus Academicus) in 1724 hier ten behoeve 
der studeerende jongelingschap aangelegd, nadat in 1636 
reeds voor het academische onderwijs een ,, Kruidtuin" op 
een der voormalige verdedigingswerken nabij de Maliebrug 
was in orde gebracht. 

De Hortus is eiken werkdag van 9—12 en van 2 — 4 uur gratis 
te zien. De tuin is niet groot, maar er is veel belangrijks te zien, 
zoowel buiten in den tuin als in de kassen — tien in getal — die 
alle open zijn: een unicum in ons land, misschien wel in geheel 
Europa. Er zijn verschillende belangrijke exemplaren van boomen, 
o.a. een Japansche conifeer, een der grootste van Europa, met 
een stam van ruim één meter in doorsnede; het is een mannelijk 
exemplaar, maar doordat er een vrouwelijke tak is opgeënt, draagt 
hij ook vruchten. In de kassen een aantal planten, die men elders 
tevergeefs zoekt. Orchideeën zijn er honderden. Van Carnivoren is er 
één, waarschijnlijk eenig in ons land, met kleine bekertjes om insecten 
te vangen en te verteren. In de kas voor tropische waterplanten 
ziet men in den zomer de Heilige Lotos bloeien, Nymphen in tal 
van kleuren en de Papyrus der Egyptenaren. In een kleine sawa 
groeit en bloeit de rijst. De rubber is al even goed vertegen- 
woordigd als de katoen, peper en arrowroot. Er zijn een groot 
aantal palmeri. 



38 



Terug nu naar het einde van de Nieuwe Gracht. De ver- 
leiding is groot, de brug over te gaan, waar aan den overkant 
een groot gebouw, in gothischen stijl met vier hoektorentjes 
het R. K. WEESHUIS, tevens OUDE MANNEN- EN VROU- 
WENHUIS (architect A. Tepe), onze aandacht trekt (in de 
Regentenkamer een mooie XVe eeuwsche gebeeldhouwde 
schoorsteenmantel afkomstig uit het Huis Zoudenbalch in de 
Donkerstraat.) Wij zouden dan onze wandeling langs den 
singel kunnen vervolgen inplaats van nog steeds den binnen- 
kant der oude stadsbegrenzing te houden. Maar ik heb mij 
voorgenomen, eerst U zooveel mogelijk de binnenstad te 
laten zien en ik zou, met alle respect voor de landelijke 
schoonheid onzer singels, toch niet gaarne willen missen het 
interessante stadsgedeelte, dat wij thans gaan bezoeken: DE 
OMGEVING VAN DE KLAASKERK. 

De eerewacht, die namens deze oude buurt U, vreemdeling, 
het welkom biedt, wordt gevormd door een twaalftal oude 
vrij woninkjes; zij staan hier, de vriendelijke huizekens, als 
twaalf ridders wel ghemeit, parmantig in het gelid en het 
aardige, iets hoogere hoekgebouwtje lijkt wel hun aanvoerder 
en baanderheer. Het geheven vaandel draagt ook een opschrift, 
een gedicht van bijna Vondeliaanschen klank, dat luidt: 

Maria van Pallaes door liefde Goodts gedreven 

Heeft doen sij weduw' was van d'Heere Schroyestyn 

Dees Cameren gesticht eenich onderhout gegeven 

Niet achtend swerels gonst maer Plaets in chemels Pleyn. 

Het zijn de woninkjes van de FUNDATIE VAN PALLAES, 
die hier de waardige inleiding vormen tot de ietwat zwaar- 
moedige, ingetogene omgeving der al-oude Klaaskerk. 

Deze vrijwoningen werden in 1651 gesticht — wie de stichtster 
was, heeft het gedicht U reeds vermeld — tot huisvesting van be- 
hoeftigen. Elk huisje heeft boven den deurpost de wapenschildjes 
van Pallaes en Schroyestyn. Het hoekgebouwtje heeft een fraaie 
regentenkamer met merkwaardige zoldering en schoorsteenmantel. 

Een schrijver over Oud-Utrecht, Ir. Daan Jansen, schreef over 
deze Godscameren: ,,Hoe eenvoudig deze huisjes ook zijn, tezamen 
vormen ze een juweeltje van kleine-woning-architectuur. Men zie 
slechts hoe goed hier de onderlinge verhouding tusschen 't muur- 
vlak en de in zwaar kozijnhout gevatte vensters en deuren is ge- 
slaagd! De geslotenheid van den gevel wordt nog door de kleine 
ruitjes van de bovenlichten versterkt. De tinten van het houtwerk 
zijn zeer rustig en worden slechts even verlevendigd door de felgekleur- 
de wapenschildjes, die in de opvallend breede dorpels boven de deur- 



39 



openingen flonkeren. Wel toont dit zoo simpele rijtje armenwoningen, 
hoe de bouwmeesters van onze pronklievende Gouden Eeuw, als 
het er op aankwam, ook met hoogst eenvoudige middelen iets moois 
wisten te bereiken!" 

De woningen-reeks van de Fundatie van Pallaes loopt door 
tot even voor men aan de Lange Nieuwstraat komt; 
op den hoek ziet men wederom een rij kleine huisjes — in 
Utrecht zijn de vrijwoningen op 'n hooge uitzondering na geen 
van alle, zooals in andere steden, in het vierkant om een binnen- 
hof gegroepeerd — de BEIJERSKAMEREN, eveneens een 
liefdadige instelling voor arme oudjes en evenals de woningen 
van de Pallaesstichting bij testamentaire beschikking ingesteld. 

De Beyerskameren, ruim een halve eeuw ouder dan de Pallaes- 
woningen, zijn, helaas, lang niet zoo proper behouden gebleven. 
Het poortje midden-in, uit 1597, is wel zeer de moeite van het 
bekijken waard. Zooals een steenen opschrift verkondigt, heeft 
Adriaen Beyer en zijn huysvrouw Alet Jansdogter deze woningen 
„gefondeert." (1594). 

Dit huizenrijtje vormt het schilderachtig straateinde van de 
Lange Nieuwstraat en leidt als vanzelf den blik naar een 
monumentalen hardsteenen gevel uit den aristocratentijd. Wij 
staan hier voor het vorstelijke gebouw der FUNDATIE VAN 
RENSWOUDE. 

Naast dit gebouw, in de Agnietenkapel, die thans deel uitmaakt 
van het Centraal Museum, was vroeger het Stads-Ambachtskinderhuis 
gevestigd, dat diende voor opname van weezen en halfweezen, 
die niet in het gewone Burgerweeshuis terecht konden. Voor een 
aantal van de ,, verstandigste, schranderste en bekwaamste" jongens 
uit dat Ambachtskinderhuis stichtte in 1756 ,,der Duisten laatste 
telg, Renswoudes edle vrouw" een afzonderlijk huis, met het doel, 
die jongens te doen opleiden in de ,,libere consten". Toen echter 
in 1810 de Agnietenkapel tot militair hospitaal moest worden 
ingericht, werden alle ambachtskinderen in de Fundatie van 
Renswoude ondergebracht en nog steeds herbergt dit statige gebouw, 
met zijn in 1757 door Joan Verkerk ontworpen gevel, het Am- 
bachtskinderhuis. 

Wij gaan dit huis nu eens niet voorbij, doch bellen 
aan en verzoeken het ook van binnen eens te mogen zien. 

Er is, op de eerste verdieping (de balconkamer) een fraaie regenten- 
zaal, waar alles nog geheel in den ouden toestand is gebleven. Het 
stuc-plafond met geschilderd middenstuk, de gepaneelde deuren, de 



40 



marmeren schoorsteenmantel met het gebeeldhouwde schoorsteen- 
stuk, dat de stichteres voorstelt, de geschilderde dessus-de-porte in 
vergulde omlijstingen, de luchters en de oude console-klok, de 
spiegels en het meubilair — alles tezamen vormt een stemmig geheel, 
waardige ontvangzaal voor hooge gasten van het stadsbestuur, 
als hoedanig deze kamer dan ook meermalen heeft dienst gedaan. 
Ook enkele andere gedeelten van het gebouw: de vestibule met 
trap en staande klok en de achterkamer met twee groote regenten- 
stukken zijn zeer fraai. Het geheele gebouw, uit- zoowel als in- 
wendig, is een van de belangrijkste en minst geschonden beziens- 
waardigheden van Utrecht. 

Aan de overzijde, op den hoek van de Agnietenstraat, een 
somber complex eentonige gebouwen: het GENEESKUNDIG 
GESTICHT VOOR KRANKZINNIGEN. Van 1461 af, het jaar 
waarin Willem Arntszoon na zijn pe'grimage naar het 
Heilige Land, hei: eerste ,,Dolhuys" in Utrecht inrichtte, bleef 
de stichting, om in Utrecht krankzinnigen van de buitenwereld, 
te kunnen afzonderen, op dezelfde plaats gevestigd: een 
hoekje van Utrecht, waar gedurende vele eeuwen veel leeds 
geleden is. 

Tot in het begin der vorige eeuw liet de behandeling der geestes- 
zieken alles te wenschen over en wanneer het op het Klaaskerkhof 
kermis was, stond het ,,Dolhuys" tegen een geringe betaling voor 
het nieuwsgierig en baldadig publiek ter bezichtiging open. In 1827 
nam Prof. Schroeder van der Kolk (1797 — 1862), de groote hervor- 
mer van de krankzinnigengestichten in ons land, de reorganisatie 
der inrichting ter hand; verschillende malen werd het gesticht 
vergroot; in 1910 werd aan den Dolderschen weg in de gemeente 
Zeist een ,, buitengesticht", de Willem Arntsz Hoeve geopend; in het 
„binnengesticht" aan de Agnietenstraat, in 1925 met een nieuw 
Zusterhuis uitgebreid, worden circa 500 patiënten verpleegd. 

Tegenover het Krankzinnigengesticht en rechts van de Fun- 
datie van Renswoude ligt het CENTRAAL MUSEUM, Utrecht's 
wèlgevulde schatkamer van kunst en oudheden. Alleen reeds 
dit museum is voor vreemdelingen een reis naar Utrecht 
waard en terecht heeft het gemeentebestuur op het Stations- 
plein een bord laten aanbrengen, waarop de naaste weg naar 
het Centraal Museum staat aangegeven: met lijn II tot aan 
het Domplein en dan overstappen op lijn III tot de halte 
Agnietenstraat. De tram stopt vlak voor het museum. Het 
linker gedeelte van het Museumgebouw (het rechter gedeelte 
is nieuw) was oorspronkelijk de kapel met bovenverdieping 
en het daarachter gelegen refectorium van het St. Agnieten- 



41 



klooster. Beide ruimten zijn gerestaureerd en voor museum 
bruikbaar gemaakt. 

De Agnietenkapel werd tusschen 1512 en 1516 gebouwd; het 
was een hoogst merkwaardige kloosterkapel, met gedeeltelijk één ver- 
dieping; het kleine koor echter was zonder verdiepingen reikte van 
den vloer tot aan het gewelf, zoodat de dienst aan het daar geplaatste 
altaar zoowel door de zusters boven — de bovenverdieping commu- 
niceerde door een deur met de kloostergebouwen — als door het 
publiek beneden kon worden gevolgd. Het refectorium, dat recht- 
hoekig op de kapel staat, werd herhaalde malen voor plechtige 
feestmaaltijden (o.a. bij de stichting en het eeuwfeest der Hooge 
School) gebruikt. In de keuken van het klooster, een groote over- 
welfde ruimte benedengronds, is de collectie Romeinsche en Ger- 
maansche oudheden thans ondergebracht. 

Onze Utrechtsche oudheidkundige schatkamer bevat drie 
verzamelingen: het Stedelijk Museum, het Aartsbis- 
schoppelijk Museum en het Museum van het Provin- 
ciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen. Niet in grooten getale maar door 
de beste specimina vertegenwoordigd, vindt men er zeer 
merkwaardige werken van oude kunst, herinneringen uit 
Utrecht's oud verleden en voortreffelijken arbeid van de 
jongste kunstenaars-generaties en men heeft getracht in 
elke expositie een zekere eenheid te krijgen, en die eenheid het 
rustigst voor den toeschouwer te doen spreken. Het Centraal 
Museum is iets heerlijks om er met kijk-grage oogen in rond 
te dwalen, kamer in kamer uit, trap op trap af. 

Het Centraal Museum is geopend: 
kosteloos Zondagmiddag) 14 uur 

Woensdagmiddag) 
Overige dagen tegen betaling van 20 cents per persoon van 10 — 4 uur. 

Overzicht van den inhoud der verschillende zalen in het CEN- 
TRAAL MUSEUM met vermelding van de voornaamste merkwaar- 
digheden en kunstwerken. 

Zaal 1. Benedenverdieping van den refter. Verzameling van het 
Provinciaal Utrechtsch Genootschap 
en van de Gemeente, bestaande uit Romeinsche en 
Germaansche oudheden: graf -urnen, pijlpunten, sieraden, 
bronzen beeldjes, schalen van rood aardewerk (z.g. terra 
sigillata), munten, gesneden steenen, grafsteenen enz. 



42 



Zaal 2. Benedenverdieping der kapel. Aartsbisschoppe- 
lijk Museum. Middeleeuwsch beeldhouwwerk in 
steen en hout. Schilderijen van verschillende Duitsche 
scholen, waaronder als belangrijkste stukken twee altaar- 
vleugels met voorstellingen uit het leven van Christus 
en Maria, Keulsch-Westfaalsche school, toegeschreven 
aan Conrad van Soest (begin der XVe eeuw). 




Centraal Museum. 
(Benedenverdieping der kapel) 



Zaal 3. Stedelijk Museum. Schilderijen der XVe en XVIe 
eeuw. 

Drieluik: Christus aan het kruis, vóór een stadsgezicht 
met oudste afbeelding van den Dom (c. 1460); Jan van 
Scorel: de beroemde portret-reeksen, vier paneelen, voor- 
stellende leden der Utrechtsche Jeruzalem-broederschap 
(1525, 1525, c. 1535 en 1541); Hollandsche school: portret 
van Jacob van Driebergen (1502). Voorts een kleine 
keurcollectie beeldhouwwerk: twee kapiteelen met dek- 
stukken uit de St. Paulus-abdij (Xlle eeuw) ; vijf steenen 
beelden van de graftombe van bisschop Rudolf van Diep- 
holt in den Dom (c. 1480); houten beeld van St. Maarten 
(c. 1480). 



43 



Zaal 4 en 5. Utrechtsche meesters der XVIIe eeuw, Joachim Uyte- 
wael: Zelfportret en portret van zijn vrouw. Abraham 
Bloemaert: Aanbidding der drie Koningen; Hippomer.es 
en Atalante. Hendrik Bloemaert: Kok. Paulus Moreelse: 
Portret van Margaretha van Mansvelt; Vanitas; Meisjes- 
kopje. Adriaen Bloemaert: Landschap. Gilles d'Honde- 
coeter: Orpheus en de dieren. Roelant Savery: Bloemen- 
stilleven; Orpheus en de dieren. P. Saenredam: Interieur 
der Mariakerk. B. van der Ast: Stilleven. 

Zaal 6. Aartsbisschoppelijk Museum. Vervolg. 

Schilderijen uit de Italiaansche school (XlVe eeuw) o.a. 
een Kruisiging van Giovanni di Paolo, en schilderijen 
der Noord-Nederlandsche school o.a. Geertgen tot St. 
Jans: Christus als man van smarten. Beeldhouwwerk 
in hout, o.a. een gepolychromeerde Madonna-figuur uit 
de Rheno-Mosaansche school (XlVe eeuw), Zuid-Neder- 
landsch Madonna-beeldje (XlVe eeuw) enz. Inde vitrines 
gouden, zilveren en bronzen voorwerpen (Xlle-midden 
XVIe eeuw) o.a. miskelken, monstransen, aquamaniliaenz. 

Zaal 7. Voortzetting schilderijen Noord-Nederlandsche primitieven 
o.a. Jacob Cornelisz. van Oostzanen, Cornelis Engel- 
brechtsz. en Jan van Scorel. Houten beeldhouwwerk van 
omstreeks 1500. In de vitrines verluchte gebeden- en 
getijdenboeken (XVe en XVIe eeuw). 

Zaal 8. Zuid-Nederlandsche schilderijen (XVe en XVIe eeuw) o.a. 

Antwerpsche meesters omstr. 1520. Beeldhouwwerk van 
omstreeks 1500 o.a. groot gepolychromeerd beeld van St. 
Ursula. In de vitrines een collectie middeleeuwsche 
stoffen. 

Galerij bij zaal 9. Drie vensters bestaande uit fragmenten van 
gebrandschilderd glas uit Utrechtsche kerken. 

Zaal 9. Aartsbisschoppelijk Museum. Vervolg. 

Bovenverdieping kapel. Geestelijke gewaden, waaronder 
koorkap van Bisschop David van Bourgondië (f 1496),. 
borduurwerk van kerkgewaden. In een vitrine de drie 
evangeliariën van St. Lebuinus, St. Bernulphus en St. 
Ansfridus (VUIe — Xlle eeuw) ; een Byzantijnsch ivoor- 
relief voorstellende de H. Maagd met Christuskind (Xle 
eeuw) ; een Karolingisch reliekdoosje in z.g. verroterie- 
techniek (VUIe eeuw). 

Zaal 10 en 11. Stedelijk Museum. Vervolg. Schilderijen. 

Utrechtsche meesters der XVIIe eeuw. H. ter Brugghen 
(Slapend krijgsman; De oproeping van den apostel Mat- 
theus; Meisjeskopje); Melchior d'Hondecceter; H. Saft- 
leven; J. C. Droochsloot; J.Dz. de Heem; D. de Heem; 
J. v. Bijlert; C. Janson van Ceulen; G. v. Honthorst 
(De Dood van Seneca) Ch. de Hooch; H. v. Lin; H. Saft- 
leven; G. de Heusch; Jan Both; J. Duck. 

Zaal 12. Schilderijenverzameling-Chabot. 

Rembrandt van Rhijn (David, geknield voor Saul(?)> 
jeugdwerk van c. 1626); P.P. Rubens; Nicolaas Maes; 



44 



Gerard Dou; Q. van Brekelenkam; A. Cuyp; W. van 
de Velde; W. van Diest e. a. 

Zaal 13. Aartsbisschoppelijk M u s e u m. Vervolg. 

Schilderijen van Herman Tom Ring; Werner van de 
Valckert; Cornelis van Haarlem, e. a. In de wandkast 
zilveren, bronzen en koperen voorwerpen van den kerke- 
lijken eeredienst (XVIIe en XVIIIe eeuw). Albasten 
altaarretabel (Antwerpsche school, midden der XVIe 
eeuw) . Vitrine met oude linnen borduurwerken. 

Zaal 14. Voortzetting der schilderijen uit de XVIIe eeuw. In de 
vitrines een verzameling kant en XVIIe eeuwsche stoffen. 
Verder een zilveren tabernakel van den Utrechtschen 
zilversmid Nicolaas Verhaar en een reisaltaar. Beeld- 
houwwerken der XVIIe en XVIIIe eeuw. 

Zaal 15. Vijf gebeeldhouwde reliëfs door Van de Wall (XVIIIe eeuw); 

vitrines met XVIIe en XVIIIe eeuwsche kazuifels en koor- 
kappen. 

Zaal 16— 18. Stedelijk Museum. Vervolg. 

Verzameling costuums uit de XVIIIe en XI Xe eeuw. 

Zaal 19— 29. Historisch Museum der stad. 

Schilderijen van Utrechtsche gebeurtenissen, portretten 
van op Utrecht betrekking hebbende personen, o.a. Paus 
Adriaen VI, Jan van Nassau, den stichter van de Unie 
van Utrecht, Trijn van Leemput, David van Mollem. 
Vitrine met penningen betrekking hebbende op Utrechtsche 
gebeurtenissen en personen. Plattegronden der stad 
Utrecht, schilderijen met gezichten van de wallen en 
poorten. Fragmenten van den gevel van het oude, in 
1826 gesloopte stadhuis. Verzameling haardsteenen (XVe 
en XVIe eeuw) uit Utrechtsche huizen. Muurtegels uit de 
XVIIe en XVIIIe eeuw, eveneens uit Utrechtsche huizen. 
Bouwfragmenten van particuliere huizen, o.a. gevel van 
het huis Keizer Karei. 

Afbeeldingen en voorwerpen betreffende Utrechtsche 
kerken en kloosters, o.a. modellen van den Dom, Dom- 
toren en kloostergang. Fragment van een vloer (XlVe 
eeuw) uit den Dom van bisschop Adelbold. Fragmenten 
van een bisschopsgewaad, kelk en ring, gevonden in 
bisschopsgraven in den Dom. Orgelgalerij uit de Buurkerk. 
Gebeeldhouwde grafmonumenten en andere beeldhouw- 
werken uit kerken. Gips-afgietsels van de Banklok der 
stad in den toren der Buurkerk en van twee klokken in 
de St. Jacobskerk. Houten beelden. Vitrine met zegels 
en zegelstempels van kerken en de daarin gevestigde 
broederschappen. Glasraam uit de St. Jacobskerk. 
Bestuur van stad en provincie: Burgemeestersportretten; 
stadszegels. Verschillende voorwerpen betreffende de stads- 
bewaking en het brandwezen. Verzameling Utrechtsche 
munten. Utrechtsche maten en gewichten. 
Hoogeschool: portretten van professoren; prijs- en senaats- 
penningen. 



45 



Gilden en bedrijven: naamborden; zilveren lijkkleed- 
versierselen; vitrine met pijpaarden beeldjes. 
Armwezen: schilderijen o.a. van den Armenpot van 
St. Jacob, van de uitdeeling aan de armen door Vrouwe 
Maria van Pallaes, van de ziekenzaal van het St. Catha- 
rijne-gasthuis; tin- en glaswerk van de verschillende 
gasthuizen. 

Rechtspleging: pijnbanken, schandpaal, enz. 
Verdedigingswezen: wapenen, uniformen, vaandels. 
Vereenigingen en Genootschappen: vaandels, penningen. 
Zaal 30 — 35. Verzameling moderne schilder ij en 
en beeldhouwwerk. 

Werken van Ch. Rochussen, W. Roelofs, J. Bosboom, 
J. B. Jongkind, J. H. Weissenbruch, P. J. C. Gabriel, 
Matthijs Maris, Willem Maris, A. Allebé, J. H. Breitner, 
Vincent van Gogh, Floris Verster, W. B. Tholen, J. 
Toorop, Isaac Israëls, B. B. van der Leek, Charley Toorop 
en de beeldhouwers J. Mendes da Costa, L. Zijl, A. Altorf, 
J. Raedecker en anderen. 

Zaal 36 en 37. Verzameling modellen van beeldhouwwerk van 
J. Mendes da Costa. 

Zaal 38 — 43. Kamers in historischen stijl. 

Gothische kamer. Tegelvloer uit een klaustraal huis der 
St. Janskerk (XlVe eeuw). Schouw van 1561. Archiefkast 
uit den Dom. Ruitjes van gebrandschilderd glas (c. 1530.) 
Hollandsche renaissance-kamer. Groote kast (1620), bed- 
stede, tafelkastje, enz. Wandbekleeding midden XVI Ie 
eeuw. Schilderijen van J. van Bijlert, Paulus van Vianen en 
Droochsloot. 

Hollandsche barokkamer. Schouw met getordeerde zuilen, 
kussenkast (1670), Amelandsche kast (1650), enz. 
Kamer in Lodewijk XlV-stijl. Schoorsteenmantel uit een 
huis Achter St. Pieter, stalen van goudleer- en geschablo- 
neerd behang, twee muurkastjes (begin XVIIIeeeuw) met 
Utrechtsch, Amsterdamsen en Haagsch zilverwerk (XVI Ie, 
XVIIIe en begin XlXe eeuw), spiegel in vergulde lijst 
(c. 1710). Poppenhuis (c. 1680). 
Kamer in Lodewijk XV-stijl. Schoorsteenmantel uit het 
voormalige Muntgebouw aan de Neude, kamerbehangsels 
uit twee Utrechtsche huizen, glazenkast met Saksisch 
eetservies. 

Kamer in Lodewijk XVI-stijl. Kamerbetimmering met 
zijden bespanning (1791), huisorgel (1792), commode met 
Japansch lakwerk, penanttafeltjes, stoelen enz. 
Tuin. Aangelegd naar voorbeelden van miniaturen en 
schilderijen uit de XVe en XVIe eeuw. Langs de muren 
grafsteenen en fundatie- en gevelsteenen uit Utrechtsche 
gebouwen. 

Wanneer wij het Centraal Museum verlaten, lokt ons reeds 
van zeer nabij de rust van het KLAASKERKHOF. Het is of 



46 



wij hier een stuk van een oud provin- 
ciestadje voor ons hebben: oud, innig, 
lief met hooge boomen en een begroei- 
de kerk; om het rustige, koele plein de 
stille huizen : in de lucht zoo nu en dan 
de fijne, schervelende tinkeling van 
een ouderwetsch carillon en dan daar- 
na, plechtig en statig, de klokkeklank 
van den uur-slag. Een charme als van 
een oud verhaal. Een stukje wereld, 
dat niet meer schijnt te behooren 
tot onzen rustdérvenden, rumoerigen 
tijd. Het plekje, waar het Utrechtsche 
leven zijn adagio zingt. 

Wat wij het eerst van de Nicolai- 
kerk te zien krijgen, is een door 
spitsboogvensters doorbroken, met con- 
treforten versterkte zijkant van een 
langgerekt gebouw, waarnaast de kos- 
terswoning nog juist toelaat iets van 
Torens van de Nicolaikerk. het koor te zien. De (parochie-) KERK 

VAN ST. NICOLAAS dateert uit de 
Xlle eeuw, maar uit den stichtingstijd bleef slechts de thans on- 
der een zware klimop-overwoekering schuilgaande westbouw be- 
waard. Van de beide met oude kapellen aangebouwde torens, 
waaraan terstond de romaansche vorm te herkennen is, kreeg 
de eene, (waarin galmgaten met rondbogen, door zuiltjes ge- 
steund), na den cycloon van 1674 zijn lage afdekking, terwijl 
de andere in 1581 meteen baksteenen ;bovenbouw, door balu- 
strade en achtkanten koepel bekroond, werd verhoogd, toen 
de omwonende burgers, ,,de buren van Tolsteeg" aan de kerk 
het welluidende carillon schonken (werk van de beroemde 
Hemony's), waaraan voor menig Utrechtenaar, die reeds tot 
,,the sere and yellow leaf" periode genaderd is, zulke aange- 
name herinneringen verbonden zijn. Want de eigenaardige 
klank van het carillon der Klaaskerk is voor den Utrechtenaar 
als de oude vertrouwde klank van de gangklok in het ouderlijk 
huis. 

De bouwgeschiedenis van deze kerk is zeer gecompliceerd; 
wat wij thans er van zien, is een aaneenschakeling van ver- 
anderingen en verbouwingen uit verschillende tijdperken. Oor- 




47 



spronkelijk zal zij wel een dicht bij den vestingmuur staande 
romaansche kruisbasiliek zijn geweest met lage zijbeuken en 
koor; omstreeks 1400 werd de kerk vergroot door de zijbeuken 
te verbreeden . en het koor te verlengen; het tegenwoordige 
gebouw heeft den vorm eener hallenkerk, bestaande uit drie, 
haast even hooge en even breede schepen. Het zuidelijke 
portaal heeft nog zijn rijkbewerkte middeleeuwsche deuren. 

Het inwendige dezer kerk, die in tegenstelling met de meeste 
andere Utrechtsche kerken, van den beeldenstorm weinig te lijden 
heeft gehad, is uiterst eenvoudig behandeld; muurvlakken en pijlers 
zijn door niets verlevendigd. Men lette op de vijf koperen licht- 
kronen met wapenschildjes uit 1661 enhetXVIIeeeuwschkoperdrijf- 
werk op den kansel en het doophek. In het koor eenige versleten 
gebeeldhouwde grafzerken. In de nabijheid van den toren de graf- 
kapel van de familie van Lijnden, en, — in een door een gesmeed 
ijzeren hek afgesloten kapel — de graftombe van een lid der 
familie van Tuyll van Serooskerken met marmeren beeld onder een 
door roode kolommen gedragen baldakijn. Op eender kerkpilaren een 
herdenkingssteen van Jacob Bellamy, den Zeeuwschen dichter 
(1757 — 1786) die, na tot zijn 22sten jaar bakkersleerling te Vlissingen 
geweest te zijn, te Utrecht in de theologie ging studeeren en als 
student (hij had zijn kamers in de Lange Nieuwstraat) hier ter stede 
gestorven en in de Klaaskerk begraven is. In de lijst van zijn tijd 
is hij als dichter een figuur van beteekenis geweest. 

In een der torens, een nog geheel gaaf Hemony-carillon van 
23 klokken, (rondom de, van ouderen datum zijnde, slagklok), dat 
den eersten Woensdag van de vier zomermaanden (Mei, Juni, Juli 
en Augustus) van 11 — 12 uur wordt bespeeld. In den anderen toren 
een luiklok (,,in Godes eere ben ick Martinus genannt") uit 1573. 

De Klaaskerk, in 1580 aan de hervormden afgestaan, is bij de 
Ned. Herv. Gemeente in gebruik. Herhaaldelijk worden in dit kerk- 
gebouw, dank zij het welluidende, in 1890 gebouwde orgel, dat 
zich acoustisch geheel bij deze kerkruimte aansluit, muziek- 
uitvoeringen gegeven. 

In de huizenrij aan de torenzijde van het Nicolaaskerkhof 
trekt een baksteenen poort met steenen inscriptie de aan- 
dacht: het opschrift vermeldt, dat ,,Mr. Evert van de Poll, 
advocaet van 't lant van Utrecht, hatende alle leedichheyt, 
dit WERCKHUYS heeft doen oprechten voor den geenen 
die liever met arbeyden hare cost winnen als met ledighe 
bedelarie". Oorspronkelijk gaf deze poort tot dat particu- 
liere werkhuis toegang. 

Wij gaan nu de Nicolaasdwarsstraat in en hebben dan aan 
onze linkerhand weer een half dozijn vrijwoningen, de GODS- 
CAMEREN VAN MR. JAN VAN GRONSVELT, dateerend uit 



48 



xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx>^:xxxxxx>;|: 

1 HOTEL „WILLEMS" I 

I VREDENBURG 9 EN 10 I 

I i 

| LOGIES MET ONTBIJT a f 2.50 I 

| AUTOGARAGE, BERGING voor RIJWIELEN, BENZINEDEPOT | 
'. « y . ..•>:> >;» . .;> .•.-;.;>•>;>::<>:..- .'.•".:>;.:>:. >;;.->* 



MAGAZIJN 



DE DOM 



If 



VOOR FIJNE -50LIEPE-EIGENGEMAAKTE 

KlEEDIMCi 



Het Beste en Goedkoopste 
adres voor 

Heeren- en Kinder-Kleeding 

Aparte Afdeeling voor 

Kleeding naar Maat 



HOEK 

MARIA PLAATS 




ifi 




A M. DE HART UTRECHT 

TELEFOON 11755 

VOORHEEN CHEF DER FIRMA A SCHARENBERG 



GERO ZILVER - GERO NIKKEL 
GERO ALPACCA - GERO TIN 

A. M. DE HART OUDKERKHOF 26 



1756. Een opschrift geeft aan, dat deze vrijwoningen eerst 
ergens anders gestaan hebben en dat ze reeds in 1652 gesticht 
waren ,,uyt liifde puur, door loutre charitaat, tot bijstand 
van de liên, om Gods wil anders niit." Hoewel het jammer is, 
dat deze huisjes als het ware 
tegen"; den westgevel, van de 
Klaaskerk weggeborgen staan, 
vormen zij, van de smalle 
Nicolaasdwarsstraat uit, met 
de hoog boven hen uitrijzende 
torens der kerk, een typisch 
geheel. 

Het straatje, waarin wij ons 
thans bevinden, scheidt de 
Klaaskerk van het voormalige 
NICOLAASKLOOSTER, waar- 
van wij echter den ingang 
te zoeken hebben in de 
Doelenstraat. 

Uitwendig herkent men aan 
het gebouw nog zijn vroegere 
bestemming; het zware, mas- 
sieve, geslotene van een mid- 

deleeuwsch klooster is streng _,. , , . , c . 
Z , « , y . Binnenhof van het St. 

bewaard gebleven. Laat ons klooster 




Nicolaas- 




Booggalerij van het St. Nicolaasklooster. 



49 



even het XVIIe eeuwsche poortje aan de Doelenstraat binnen- 
gaan; de vriendelijke portier gunt U gaarne een blik in den 
ouden kloosterhof met de dicht-begroeide booggalerij, die den 
overloop draagt, welke de beide vleugels van het gebouw ver- 
bindt. De werking van deze sierlijke verbindingsgang hoog 
tusschen de gebouwen, is buitengemeen verrassend. 

Het oorspronkelijke klooster voor ,, goede joncf rouwen die Gode 
dienen wilien" (het doel, waarmede in 1392 dit klooster werd op- 
gericht), heeft in den loop der jaren heel andere elementen ge- 
herbergd: reeds in 1602 was het gebouw gedeeltelijk ingericht tot 
Werkhuis, (de ,, verbetering des harten" werd daar gezocht in de 
gevolgen van „des arbeyts heylige slagen"), inl614 gedeeltelijk ook 
tot Tuchthuis, (,,hetwelck een plaets was van straffe en niet van 
recreatie") ; in 1898 bestemde de Gemeente het tot Oudemannen- en 
vrouwenhuis — Stads-Armenhui s — , als hoedanig het nog 
heden dienst doet. 

De Doelenstraat ten einde loopend komen wij in de 
T w ij n s t r a a t, de drukke, gezellige winkelstraat van dit stads- 
gedeelte, waarlangs in oude tijden menig geestelijk en wereld- 
lijk heer met groote statie zijn blijde intrede binnen Utrecht 
heeft gedaan. De tramrails volgend, staan wij al zeer spoedig 
voor de nieuwe, zeer breede, zwierige TOLSTEEGBRUG. 
Een eenvoudig MONUMENT — een zwaar hardsteenen blok 
met een bronzen plaquette — in 1913 opgericht, herinnert 
er aan, hoe in den nacht van 28 November 1813, („Kozakjesdag") 
de Fransche troepen door de toenmalige Tolsteegpoort Utrecht 
verlieten. 




Tolsteegbrug. 



50 



Wij blijven op de brug een oogenblik staan om ons te orien- 
teeren en zien dan hier van verschillende zijden waterwegen op 
één punt tezamen komen. Het zijn — wij staan met den 
rug naar de stad gekeerd — eerst links de KROMME RIJN, 
die de singelgracht binnenstroomt; langs zijn linkeroever ligt 
een straatje, dat straks, in het open veld, zich voortzet in 
den vorm van een smal jaagpad, waarlangs menig Utrechtsch 
ingezetene des Zondags zijn schreden richt naar het landgoed 
RHIJNAUWEN, sedert 1920 eigendom der Gemeente, waar 
een gezellige, lommerrijke theeschenkerij den vermoeiden wan- 
delaar wacht. 

Zoo gij nog één of méér dagen langer in Utrecht blijft, vreemde- 
ling, ga dan, hetzij met den gemeentelijken autobus hetzij met het 
,, bootje van Rhijnauwen", dat 's zomers van het Ledig-Erf afvaart 
(ook de autobus passeert het Ledig-Erf) een tochtje maken naar 
Rhijnauwen. Met het bootje langs den kronkelenden Krommen Rijn 
passeert gij het aardige nieuwe gebouwtje der Gereformeerde kerk, 
(architect A. Kool), dat met zijn stompen, rechthoekigen toren als 
een geweer-presenteerende schildwacht ,,die Wacht am Rhein" 
schijnt te houden; dan een stukje Utrechtsche industrie en al spoedig 
het wijde veld aan weerszijden. Bij het fort Vossegat en de Zwem- 
school schijnt de stad den Krommen Rijn weer even te naderen, 
maar dan raakt men voor goed de stad kwijt en wordt het een spele- 
varen door een vriendelijk landschap en mooi bosch, onder welks 
oud geboomte de vroegere ridderhofsteden ,,0 u d- en „Nieuw- 
Amelisweerd" verscholen liggen. Het bosch rondom 
Rhijnauwen — óók een oude ridderhofstede — is niet groot, 
maar wel oud en zwaar en het is een genot om er een oogenblik 
te verwijlen, alvorens langs het fort Vossegat terug de wandeling 
stadswaarts aan te vangen of wel langs het fort Rhijnauwen over 
Bunnik naar Zeist verder te wandelen. 

Ten Zuiden van Rhijnauwen de buurtschap VECHTEN, lang 
vóór Utrecht een belangrijk strategisch punt der Romeinen in de 
He — IVe eeuw; belangrijke opgravingen hebben uitgemaakt, dat Fectio 
(Vechten) een basis der romeinsche riviervloten was. Drusus liet 
van daar (12 v. C.) zijn vloot vertrekken om langs de Vecht (Drusus- 
gracht) de Noordzee te bereiken; 16 v. C. concentreerde Germanicus 
er zijn uit meer dan duizend schepen bestaande vloot. Thans is er 
in de nabijheid van , ,den Burg" geen rivier of stroom meer te bekennen ; 
de oude beddingen zijn dichtgeslibt of gedempt en tot weiden ge- 
worden. Verschillende romeinsche legerplaatsen moeten hier in 
opvolgende perioden gelegen hebben. 

Tusschen Krommen Rijn en Vaartschen Rijn — dezen laatste 
zien wij recht voor ons uit, onder de Tolsteeg- 
bascule-brug dóór, in de singelgracht uitloopen — ligt in den 



51 



hoek van het Ledig-Erf, achter een vooruitspringende huizenrij 
vrijwel verborgen, de weg naar Bunnik en Rhijnauwen (rich- 
ting Wijk-bij -Duurste- 
de, Tiel en 's Hertogen- 
bosch) welke langs de 
BEIDE UTRECHT- 
SCHE ALGEMEENE 

BEGRAAFPLAAT- 
SEN loopt en die ook 
toegang geeft tot het 
groote sportterrein 
„MAARSCHALKER- 
WEERD" met voet- 
bal-, en cricket velden, 
athletiekbaan en over- 
Langs den Krommen Rijn. dekte tribune. 

(De R. K. BEGRAAFPLAATS ligt aan een andere zijde der stad, 
aan den weg naar de Bildt en de ISRAELIETISCHE doodenakker 
in een gansch tegenoverliggenden hoek der gemeente, aan den 
oever van de Vecht). 

Behalve het gemeentelijk sportterrein „Maarschalker- 
wee r d" (dat eigenlijk in de gemeente Houten is gelegen) aan 
den Koningsweg (verlengde van de Gansstraat) heeft de gemeente 
nog twee sportterreinen: ,,W elgelegen" aan de overzijde van 
het Merwedekanaal (voetbalterrein met overdekte tribune, twee 
korfbalvelden en gelegenheden voor andere sporten en gymnastiek) 
en het sportterrein aan de Thorbeckelaan (bij 
den Amsterdamschen Straatweg) met voetbal- en athletiekvelden. 
Bovendien nog een aantal particuliere voetbalterreinen. Utrecht 
heeft voorts twee gemeentel ij ke gymnastieklokalen 
aan de Zuilenstraat, ten behoeve van de verschillende hier ter stede 
gevestigde gymnastiekvereenigingen. In de stad zelve en in haar 
onmiddellijke nabijheid een groot aantal tennisvelden. 

Langs den Vaartschen Rijn — voor een deel reeds in 1148 
gegraven; alle eeuwen dóór heeft nadien de stad Utrecht nog 
heel wat ten koste gelegd aan de instandhoudingen verbetering 
van haar Rijnvaart — loopt de weg naar Jutphaas en Vrees- 
wijk (richting Gorinchem). Een typisch brokje oude stadswal 
met de restanten van vroegere bolwerken (Manenburg en 
Sterrenburg) ligt links en rechts van de Tolsteegbrug in den 
plantsoen-aanleg verborgen. 




52 



RIVIERENWIJK. 

Naar deze zijde der stad, in de punt begrensd door den Vaartschen 
Rijn en het Merwedekanaal, heeft zich een geheel nieuwe stadswijk 
(middenstands- en arbeiderswoningbouw) ontwikkeld, door lijn V 
met de binnenstad verbonden. De zich naar alle windstreken uitplooien- 
de nieuwe wijken der stad worden veelal in de wandeling naar be- 
paalde straten-complexen genoemd; zoo hier de ., Rivieren-wijk", 
waar de straten en pleinen de namen van Rijnlaan, Maasplein, Amstel- 
straat enz. dragen, gelijk elders in de peripherie der gemeente de 
,, Schilders-buurt", de ,,Dichterswijk", het ,, Componisten-paradijs", 
het ,, Zeehelden-kwartier", de „Vogelenbuurt" en de „Bloemen"- 
straten worden aangetroffen; van één wijk heeft men zelfs een com- 
plete timmerdoos gemaakt: ,,Boor-", ,, Spijker-", ,,Zaagstraat" enz. 

De nieuwe woonkwartieren met hun differentiatie in straatbreedte, 
hun veelal harmonische bebouwing, met woningcomplexen, die één 
scheppende hand verraden, met hun fleurige boombeplantingen, 




School aan het Maasplein. 

pleinvormingen en welverzorgde straatkruisingen, zijn over het 
algemeen (al is ook hier natuurlijk niet alles goud wat er blinkt) 
architectonische aanwinsten voor het stadsbeeld en wie zich voor 
modernen woningbouw interesseert, kan in het nieuwe Utrecht 
veel belangrijks — wat meer zegt: veel oorspronkelijks vinden, dat 
aan Utrecht ook in modern opzicht een eigen cachet geeft. Wij 
zullen in een ander gedeelte van Utrecht gelegenheid vinden op 
gelukkiger voorbeelden te wijzen, dan deze zuidelijke stadswijk op 
het gebied van woningbouw oplevert, maar toch mag ook deze 
buurt zich verheugen in het bezit van goede middenstandswoningen 



53 



en vooral van eenige architectonisch zeer goede schoolgebouwen, 
zooals de gemeentescholen aan het Waal- en aan het Maasplein 
(beide werk van Ir. J. I. Planjer), door wier weloverwogen massa- 
groepeering een uitstekende plein-afsluiting werd verkregen; de da- 
Costaschool aan het Brederoplein en de Sint Gerardus Majella-School 
aan de Amaliadwarsstraat (beide ontworpen door de architecten 
W. A. Maas en L. J. H. Zonneveldt) aan welke laatste school zich 
aansluit de R. K. St. Gertrudiskerk (architect W. te Riele). Bij den 
aanleg der nieuwe stadsdeelen is met prijzenswaardige zorg gestreefd 
de plaatsing der openbare gebouwen zoodanig te kiezen, dat het 
stadsbeeld zooveel mogelijk van de schoonheid profiteert. 

In de verschillende wijken zijn, op tal van gunstig gelegen punten, 
openbare speelplaatsen voor de jeugd aangebracht. 

Even voorbij den spoorweg-overgang: aan den Jutphaasschen weg, 
de VAKSCHOOL voor de TYPOGRAFIE (met Typografisch 
Museum) en de AMALI A-STICHTING (ziekeninrichting) ; aan de 
Croeselaan met haar vijf rijer ware boomen, de MIDDELBARE 
TECHNISCHE SCHOOL en het nieuwe, dank zij de genereuze gift 
vanhetRockefeller-fonds, tot stand gekomen PHARMACOLOGISCH 
LABORATORIUM (architect A. A. Kok). 

Aan het Merwedekanaal, op grondgebied der gemeente Jutphaas, 
de nieuwe GEMEENTELIJKE (Utrechtsche) BAD EN ZWEM- 
INRICHTING aan de Liesbosch (tevens Zwem school). 

De waaier van water- en landwegen, die alle op de Tolsteeg- 
brug tezamen komen, wordt aan de rechterzijde gesloten door 
den TOLSTEEGSINGEL, die verderop CATHARIJNESINGEL 
heet en de bochten volgt van de singelgracht. 

Langs den Catharijnesingel en de daarop uitmondende zijstraten 
verschillende ziekenhuizen, klinieken en laboratoria, waaronder 
eenige moderne gebouwen als het ORGANISCH-CHEMISCH-, het 
VAN 'T HOFF- en het PHARMACEUTISCH LABORATORIUM en 
(aan de Nicolaas Beetsstraat, waaraan ook de vroegere gemeentelijke 
Electrische Centrale ligt) de PSYCHIATRISCH-NEUROLOGISCHE 
KLINIEK en de CHIRURGISCHE en GYNAECOLOGISCHE 
KLINIEKEN a/d Justus van Effenstraat. 

Terzijde van de Tolsteegbrug staat de singelgracht door een 
donker waterpoortje in verbinding met de OUDE GRACHT, 
die van zuid naar noord de geheele stad doorloopt en Vaartschen 
Rijn met Vecht verbindt. Het groote gebouw, dat wij, terwijl 
wij ons omwenden om weder stadswaarts onze wandeling voort 
te zetten, op den voormaligen stadswal zien liggen, is het 
PHYSISCH LABORATORIUM, in 1875 gebouwd, herhaaldelijk, 
het laatst in 1926, aanzienlijk uitgebreid. 



54 



Wij houden, van de Tolsteegbrug komende, de linkerzijde 
van de OUDE GRACHT (de verkeerspolitie vergeve het ons ter 
wille van de schoonheid van het grachtbeeld!), passeeren het 
(oude) DIACONESSENHUIS (in 1844 gebouwd en sedert her- 
haalde malen uitgebreid; het nieuwe Diaconessenhuis ligt in 
een der nieuwe buitenwijken der stad achter het Wilhelmina- 
park) en iets verderop de R. K. PAROCHIEKERK VAN ST. 
MARTINUS met annex de St. Martinusschool. 

Aan de overzijde van de gracht een typisch Utrechtsch gracht- 
gezicht: de WERF ACHTER TWIJNSTRAAT. De kleine roodge- 
daakte huisjes, neergehurkt aan het smalle weggetje langs het 
water; het oude verweerde plaveisel, het nauwe straatje, dat naar 
de gracht komt om dan plotseling met een steenen trap steil naar 
de gracht af te dalen; de rommelige omgeving van bergplaatsen en 
schuren onder de boomen, die uit de diepte trachten hun groene 
kruinen op te beuren om over de straathoogte uit te kunnen kijken 
— het vormt alles tezamen een schilderachtig stadshoekje, waarvan 
het jammer is dat er niet een pittige stads-legende aanj verbonden is. 

De mooiste grachtgezichten hebben wij nu van de bruggen, 
die wij passeeren: voor ons uit, in de diepte, het water met 
de dubbele brugwel vingen; terzijde van het water de werven, 
hier nog breed en zelfs op 'n enkele plaats bebouwd: van de 
werven opwaarts de donkerkleurige baksteenen muren van 
den walkant; dan, gelijk met den bovenkant der kademuren 
de straat, en van het straatvlak weer opwaarts, de gevels 
der huizen. Die eigenaardige ligging der grachten, met laag 
de werven aan het water, óp die werven de boomen en 
hoog daarboven de straat, is het eigenaardige van het Utrecht- 
sche grachtgezicht, dat men in andere steden van ons land 
zelden of nooit aantreft. 

En wanneer men zich goed realiseert, wat toch aan deze 
Utrechtsche grachten het bizondere accent geeft, dan is het 
wellicht wei dit: dat men langs de Utrechtsche grachten wan- 
delt .... in de kruinen van de boomen. Want 
de boomen staan op de werven en op gelijke hoogte van de 
kruinen ligt de straat. En dan, van dit Utrechtsche gracht- 
beeld wel het aller-mooiste: waar dat men gaat of staat, overal 
de fijne elegante, de ranke en toch zoo krachtig-gelijnde 
silhouette van den Domtoren, met heel hoog in de lucht, de 
zonnevonk van den gouden St. Maarten. 



55 



De Oudegracht. (Tolsteegzijde) 



Hoe is die eigenaardige situatie van (zooals de veel bereisde 
Edmondo de Amicis het in zijn reisbeschrijving uitdrukte:) ,,de 
werven, die het water voor de deur en de straat tot dak hebben", 
eigenlijk ontstaan? De meeningen daarover loopen uiteen; sommigen 
vermoeden, dat de aanwezigheid der werven verband houdt met 
den waterstand vroeger en dat men, nadat die waterstand geregeld 
was, de eerst hellende oevers heeft gebruikt voor den aanleg van 
hooge kaden; anderen daarentegen brengen de werven en de daar- 
achter , onder het straatoppervlak gelegen kluizen, in verband met 
den enormen groothandel, dien Utrecht in de vroege Middeleeuwen 
heeft gekend: de kluizen zouden dan gediend hebben voor de stapeling 
der koopmansgoederen, in het bijzonder van wijn, waarin de Utrechte- 
naren door hun gemakkelijke verbinding met den Rijn destijds 
grooten handel dreven. Hoe het zij, in het moderne stadsbeeld 

vormen de grachten met haar werven en haar zwanen een 

eigenaardige bekoring. 

Wij wandelen verder tot wij aan de Sir eebrug komen 
en slaan dan de Lange Smeestraat in. Straks komen wij 
wel weer op de Oude Gracht terug, doch we willen eerst even 
een kijkje gaan nemen in het stadsgedeelte, dat zich uitstrekt 
tusschen de Oude Gracht en den buitensingel, een oud ge- 
deelte, vol nauwe straten en een warnet van zijstegen. Aan 
het einde van de Smeestraat, met den, grootendeels geheel 
nieuwen zijgevel reeds in het plantsoen, vinden wij dan het 
BARTHOLOMiEI-GASTHUIS, thans gedeeltelijk als zie- 
keninrichting, gedeeltelijk als tehuis voor oude mannen en 
vrouwen ingericht. Vroeger is het een gasthuis geweest — 
het werd in 1407 door Jacob van Gaesbeek gesticht — en al 
hebben ingrijpende veranderingen het middeleeuwsch karakter 
nagenoeg geheel verloren doen gaan, zoo zijn, wanneer men 
er op let, de lijnen van de langgerekte zaal en van de — daar- 
bij zich aansluitende — kapel nog wel te herkennen. En typisch 
blijft de aardige ingang met, hoog in de lucht geheven, het open 
klokkestoeltje, waar de oude etensbel in hangt. Maar bij het 
uitwendig-interessante blijft het niet bij dit gebouw; wij treden 
de deur binnen en vragen de prachtig ingerichte regenten- 
zaal te mogen bezichtigen. Een weigering is niet te verwachten; 
een lange gang, een deur die zich opent en wij treden, met 
eenigen schroom, een van de meest belangrijke oude interieurs 
binnen, die in Utrecht voor vreemdelingeYibezoek openstaan: 
de REGENTENKAMER VAN HET BARTHOLOMiEI-GAST- 
HUIS. 



57 



De regentenzaal dateert uit 1642; zij werd in 1897 grondig ge- 
restaureerd. Het kostbaarste in deze zaal zijn wel de gobelins 
van buitengewone afmetingen, werk van den beroemden Delftschen 
tapijtwever Max, van der Gucht (overl. 1698). Men lette op het 
doorzicht tusschen de twee lanen, op den pauw met zijn pronkerigen 
staart en op het witte paard; de wapens, aan den bovenkant van het 
tapijt geweven, zijn die van de regenten, die het kostbare behangsel 
aan het gesticht ten geschenke hebben gegeven. Ook de oude zoldering 
met de gracieuse kinderbalkjes en vergulde consoles, en de schoor- 
steenmantel met het portret van den geharnasten ridder zijn zeer 
merkwaardig. Stemmig meubilair, oude koperen lichtkroontjes, een 
Louis XVI -klok en vuurschermpjes uit den tijd van Willem III 
vullen de zaal met een intieme gezelligheid. Als curiositeit hangt 
er het portret van een der verpleegden, die, na een gelukkige 
echtvereeniging, welke hem 10 zonen en 4 dochters geschonken 
had, den aanvalligen leeftijd van 111 jaren heeft bereikt en — naar 
de volkshumor wil — ten slotte aan de kinderpokken is overleden. 

Wij verlaten het Bartholomaeigasthuis en volgen — het 
is maar een enkel stapje — den onaanzienlijken Pelmolenweg 
(wij hebben tegelijkertijd nog weer eens gelegenheid den 
plantsoenaanleg te bewonderen en v o o r b ij de Geertekerk heeft 
men een paar aardige achterbuurt-inkijkjes) om even een blik 
te slaan op een vergeten hoofdstuk der stad Utrecht: de 
GEERTEKERK en het GEERTEKERKHOF. Ook dit Gods- 
huis met zijn thans vrij poovere omgeving heeft betere dagen 
gekend en wat wij nu zien, is een ruïne van wat het vroeger 
is geweest: een fraaie, belangrijke parochiekerk uit de XHIe 
eeuw, door verbouwing inwendig hopeloos verknoeid. Met zijn 
omgeving is het echter samengegroeid en als geheel heeft 
dit stadsbeeld iets droef-aandoenlijks: la vie qui s'éloigne . . . 

De Geertekerk (Sint Gertrudiskerk) is een driebeukige baksteenen 
kruiskerk, gesticht kort voor 1259, met torentje en sacristie; zij 
ontving Reguliere kanunniken als geestelijke herders, die deze 
bediening hebben waargenomen tot hun vertrek in 1 582. De Geertekerk 
was de eerste der Utrechtsche kerken, waaraan de beeldstormers 
in 1566 hun woede botvierden en de kerk heeft er veel van te lijden 
gehad. Omstreeks 1855 is zij — na aan een 400 door watersnood 
verdreven bewoners van het dorp Veenendaal tot schuilplaats te 
hebben gediend — geheel verbouwd door ommuring van het schip 
en transsept, welke thans als kerk voor de Ned. Herv. Gem. dienst 
doen. Het inwendige geeft een troosteloozen aanblik: een preekstoel 
op zandsteenen voet (van een doopvont afkomstig) en het doophek 
uit het laatst der XVIe eeuw zou men kunnen gaan bezien; op den 
vloer tal van versleten zerken, o.a. een van een Jeruzalemvaarder. 
De tegenwoordige Geertekerk verving in de XlIIe eeuw een gelijk- 
namige, die al voor 1231 buiten de stad had gestaan; het schijn- 



58 



baar zonderlinge gebruik om de kerken buiten de muren eener stad 
te bouwen, kwam oudtijds veelvuldig voor; een beroemd voorbeeld 
daarvan vindt men in ons land in de St. Jan te 's-Hertogenbosch; 
in het buitenland in den Stephansdom te Weenen. 

De toren is van een haast landelijken eenvoud; romaansch maar 
met spitsbogige nissen. In den toren een groote klok, de ,,Sint 
Geertruyt" van Steven Butendiic (1447) en een kleinere van Geert 
van Wou (1506). 

Wij geven de Geertekerk slechts een groet in het voorbijgaan 
en wandelen verder naar den SPRINGWEG, een van de meest 
bekende oude buurten van Utrecht. Hier in de omgeving 
vindt men — en dat is dan ook vrijwel het eenige, wat aan 
oude tijden herinnert - — tal van enge, nauwe steegjes en slopjes, 
waar weinige Utrechtenaren ooit een voet hebben gezet. Niet 
dat de reputatie dier straatjes wormstekig is; alle staan ze 
te goeder naam en faam bekend, maar ze voeren nergens 
heen, ze vormen een wereldje apart. Van dien doolhof is de 
Springweg, de oude vertrouwde, de groote verkéérsader, die 
stadswaarts voert. En aan dien Springweg vinden wij dan 
de in 1926 nieuw gebouwde SYNAGOGE der Israelietische 
Gemeente. 

De nieuwe Synagoge (architect H. Elte Phzn.) heeft een uiterst 
modern interieur; de wetsrollenkast is kwistig getooid door gouden 
inleg-werk en de ramen, met sterk roode en blauwe ruitjes, maken 
het geheel vrij kleurig, al brengen zij onder de vrouwengalerij veel 
donkerte te weeg. Ter rechterzijde van de synagoge is het z.g.n. 
,,chewro-lokaal" (lokaal voor pieuze genootschappen), dat de in- 
ventaris van de voormalige Synagoge van Maarssen herbergt, waar 
in de XVIIIe eeuw een belangrijke Joodsche Gemeente was. De Synago- 
ge bezit verschillende kostbaarheden: zilveren siertorens en zilveren 
schilden voor de wetsrollen, een groot aantal mantels (voor de wets- 
rollen) en voorhangsels, een zilveren waschbekken met kan en een 
antiek koperen waschbskken met kan (voor het wasschen der handen 
der Aaroniden vóór den priesterzegen), zilveren leeswijzers enz. 
Enkele stukken dateeren uit de XVIIIe eeuw. 

Toen de joden in 1789 officieel binnen Utrecht werden toegelaten, 
hielden zij hunne synagogediensten in een particuliere woning aan 
de Korte Nieuwstraat. Toen de joodsche vestiging zich uitbreidde, 
werd de oude kerk der Doopsgezinde Gemeente aan den Springweg 
eerst gehuurd, daarna (1796) door de Joodsche Gemeente aange- 
kocht. Velerlei verbouwingen hadden plaats, tot in 1849 een nieuwe 
synagoge, armenschool, kosterswoning, godsdienstschool en ritueel 
bad konden worden gesticht. In 1926 kwam de verbouwing tot 
stand, die aan de synagoge haar tegenwoordige gedaante gaf en de 
andere gemeente-gebouwen gansch en al vernieuwde. 



59 



Wij loopen nog een eindje verder den Springweg af, langs 
het complex r. k. scholen, dat van den Springweg zich langs 
de Brandsteeg tot aan de Oudegracht uitstrekt. En wij slaan 
de Brandsteeg in, niet omdat dit straatje zoo buitengewoon 
fraai of interessant is, maar uit veneratie voor de nagedachte- 
nis van den eenigen Nederlander, die den Heiligen Stoel 
beklommen heeft: Paus Adriaan VI, die in deze steeg in 
het Huis Brandaa geboren heet te zijn. Het Huis Brandaa, 
dat tijdens het leven van Paus Adriaan de Croy wagen heette 
en later ,,Paus Arien ; ' werd genoemd, bestaat al sedert lang 
niet meer; in de r. k. school op den hoek van de Oudegracht 
en de Brandsteeg, waar in een gevelsteen de pauselijke beel- 
tenis is aangebracht, worden nog verschillende herinneringen 
aan Paus Adriaan bewaard. 

Iets verderop aan den Springweg eenige oude hofjeswoningen op 
een rijtje en links, het groezelige MILITAIR HOSPITAAL; de gebou- 
wen, waarin thans de zieke militairen verpleegd worden, vormden 
vroeger het aanzienlijke DUITSCHE HUIS der Ridders van St. Jan, 
waar herhaaldelijk vorstelijke personages op hun doortocht door 
Utrecht gelogeerd hebben. Veel moois is er aan de verwaarloosde 
gebouwen niet te zien en de aardige oude poort is (waartoe was dat 
noodig?) naar den tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam verhuisd. 

Door de Brandsteeg komen wij weer op de Oude Gracht — 
men lette op de aardige gevelsteenen — en al spoedig, 
tegenover de fraai geboogde Weesbrug trekt een statig 
huis onze aandacht, waarin blijkens de moderne glazen 
stoepbeschermers, gevestigd is het N(EDERLANDSCHE) V(ER- 
EENIGING) HUIS, het gebouw en de zetel van de Neder- 
landsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel. 
Nieuwe wijn in een oud vat. Voordat deze moderne organisatie 
hier haar intrek nam, had het oude gebouw eeuwenlang een 
geheel andere bestemming gehad. In de gangen en zalen, 
waar nu bij voorkeur de stevige stap van den georganiseerden 
spoorwegman en van den ter meeting of congres optrekkenden 
arbeider weerklinkt, (de zalen staan overigens te ieders beschik- 
king) trippelden vroeger de schuchtere voetjes der wees- 
kinderen en — in nog ouder tijden — hebben stille klooster- 
lingen er mediteerend rondgewaard. 

Oorspronkelijk een Regulierenklooster, dat tot aan den Springweg 
doorliep, gesticht door de fratres de poenitentia S. Augustini, 
werd het klooster in 1290 overgedragen aan de Reguliere kanunniken 



60 



van S. Augustinus en in 1582 definitief ingericht tot weeshuis. Het 
klooster had een eigen kerk, die na de Hervorming onder den naam 
van ,,Weeskerk" tot begin 1800 in gebruik is geweest. Ook dit ge- 
bouw onderging hetzelfde lot van de meeste oude gebouwen in 
Utrecht: het werd zoodanig verbouwd, dat uitwendig in het geheel 
niets en inwendig slechts enkele sporen van den ouden kloosterbouw 
nog terug te vinden zijn. 

Aan den Springweg is nog een poortje van het oude Regulieren- 
klooster uit de XVe eeuw bewaard gebleven, (later verbouwd) met 
de beelden van twee weeskinderen, die het wapen van Zoudenbalch, 
den stichter van het Weeshuis, vasthouden. 

Toen de Nederlandsche Vereeniging in 1926 haar intrek in het 
gebouw nam, onderging het een ware metamorphose; de kerk- 
ruimte werd tooneelzaal; wat echter inwendig nog aan oude over- 
blijfselen aanwezig was, heeft men met piëteit zooveel mogelijk 
gespaard. In het N. V. Huis is gevestigd een café-restaurant, met 
annex een zalencomplex voor het houden van vergaderingen en 
congressen. Het Huis beschikt bovendien over een groote, geriefelijk 
ingerichte schouwburg- en concertzaal, versierd met symbolische 
decoratie-schilderingen, voorstellende de Arbeid. Achter het Huis 
een groote tuin met zwaar geboomte. Bezienswaardig is de historische 
kamer met schouw. Weinige steden, zelfs in het buitenland, kunnen 
bogen op zulk een fraai en geriefelijk volkshuis, als de Ned. Ver. 
voor Spoor- en Tramwegpersoneel in Utrecht heeft gesticht. 

Aan de overzijde van de Oude Gracht, tusschen Geerte- 
b rug en Smeebrug, ligt op den hoek der Groote Eligen- 
steeg een groot granieten zwerfblok, offersteen uit den heiden- 
schen tijd, aan het hoekhuis „DE GESLOTEN STEEN" met een 
ketting vastgeklonken (een Utrechtsche legende vermeldt, dat 
toen de steen nog niet vastlag, de Duivel en zijn knecht er 
eiken nacht mee kegelden) en tevens ligt aan die zijde der gracht 
de DOOPSGEZINDE KERK, uitwendig zoowel als inwendig 
architectonisch weinig belangrijk. Het gebouw dateert uit 1773; 
vóór dien tijd had de Doopsgezinde Gemeente haar kerkgebouw 
aan den Springweg, waarin later de Synagoge gehuisvest was, 
voor dat de Israëlietische Gemeente op dezelfde plaats de nieuwe 
synagoge liet bouwen. 

In de Doopsgezinde kerk een fraaie XVIIIe eeuwsche preekstoel en 
een geschilderd portret, dat langen tijd gehouden werd voor de 
beeltenis van Menno Simons, doch — wondere speling van het lot 
— later bleek te zijn het portret van Viglius van Aytta, den Spaanschen 
staatsman, die alle besluiten door zijn vorst genomen, moest be- 
krachtigen, waaronder . . . die, welke werden uitgevaardigd om 
de dooperschen te vervolgen! 



61 



Wij wandelen verder en houden nog steeds de linkerzijde 
der gracht, met dus den Domtoren als baken aan onzen 
rechterkant; bij de GAARD BRUG plotseling schuiven de huizen 
aan deze zijde der gracht over de werven heen, zoodat zij, 
met de breedgewelfde kluizen hunner achtergevels pittoresk 
recht uit het water oprijzen. De straat moet dus wel van de 




De achterzijde van de huizen aan de Lijnmarkt. 

gracht af buigen en wij komen nu in het drukke winkel-rumoer 
van de Lijnmarkt, een der drukste en meest gezellige 
handelsstraten der binnenstad, vanwaaruit rechts een trappen- 
steeg (oorspronkelijk een der vele brandtrappen, die Utrecht 
bezat) afdaalt naar het grachtwater. Het is wel de moeite 
waard, ]angs deze trap even naar beneden te gaan om, aan het 
water staande, een kijkje te nemen op het grachtgezicht, dat 
van dit punt uit, een bizondere charme heeft. 

In de laatste linker-ziistraat van de Lijnmarkt — de Boterstraat 
— een aardig zandsteenen poortje met een gekroonden hamer in 
den sluitsteen en het opschrift: ,,Den inganck van Eloyen Gast- 
huys. 1644". Het St. Eloyen-gasthuys was eertijds het 
gildenhuis der Smeden, wier schutspatroon de H. Eligius (St. Elooy) 
was. 

Het verlengde van de Lijnmarkt is de Choorstraat, 
maar terwijl wij dat drukke kruispunt — wij zijn er al bij 



62 



het begin van onze rondwandeling geweest — oversteken, 
willen wij toch niet nalaten nog weer eens even van zoo heel 
nabij op te zien naar onzen Domtoren. En laat mij, terwijl 
wij hier op een veilig plekje van het trottoir den toren staan 
te bewonderen, U even een citaatje mogen voorlezen uit een 
oud handschrift uit de XVIIIe eeuw. 

,,Dese onse Doem is niet alleen een baak voor de schipper in de 
Zuyde-zee en op den Rijn, maar ook een lanteern voor onse na- 
bueren, een verwondering voor de vreemden en een cieraet van 
onse stadt, want hij kan gesien en de klank van zijn kloeken gehoort 
worden van meer dan 25 steden en ontalrycke dorpen rondom hem 
gelegen." 

En nu wandelen wij verder de Choorstraat in. Wij 
hebben reeds, bij ons bezoek aan de Buurkerk, verteld hoe deze 
straat aan haar naam gekomen is; eigenlijk wandelen wij hierin 
het koor der Buurkerk en als wij halfweg even den Steenweg 
inslaan, dan kunnen wij een gedeelte van den zijgevel van 
de Buurkerk zien en meteen opmerken, hoe de ondiepe huizen 
in de Choorstraat tegen het achterstuk van de kerk staan 
aangeleund. 

De Choorstraat brengt ons op de Stadhuisbrug en 
het zware, vierkante, met vier ronde pilasters bevoor- 
gevelde gebouw is het STADHUIS. Het gebouw, uitwendig 
weinig belangrijk, typeerend den geest-armen tijd, waarin het 
werd gebouwd (1824), drukt de omgeving en wij zullen U 
maar niet de afbeeldsels laten zien van de twee gevels der oude 
huizen „Hasenbergh" en ,,Lichtenbergh", die voor dit vier- 
kante steenblok hebben moeten plaats maken. Het is een droeve 
illustratie van Potgieter's vraag: 

,,Waar rees, hoe vaak de moker klonk, 
Iets schooners op dan wat er zonk?" 

Niet altijd is de zetel van het stadsbestuur op deze plaats gevestigd 
geweest; oorspronkelijk had de stedelijke overheid ergens aan den 
Steenweg, in de nabijheid van de Buurkerk, haar domicilie. Maar 
reeds in 1344 verhuisde de achtbare Raad naar het oude, versterkte 
huis ,,Hasenbergh", ter plaatse , waar nu het stadhuis is. In 1541 
werd het naast ,,Hasenbergh" gelegen huis ,,Lichtenbergh" bij het 
stadhuis getrokken, evenwel onder conditie, dat de gevel van „Hasen- 
bergh", ,,daer veel beelden van voorleden bisschoppen van Utrecht 
op staen" (hetgeen Keizer Karei V een doorn in het oog was), zou 
worden afgebroken. Eerst in 1547 werd aan deze voorwaarde voldaan 



63 



Stadhuisbrug met Stadhuis en Domtoren. 



et is geen overdrijving indien wij zeggen 
dat de bakkerij „De Korenschoof" een 
inrichting is die haar gelijke in Neder- 
land niet heeft. 

Bovenstaande photo, slechts een ge- 
deelte der broodbakkerij weergevende, 
geeft U een duidelijk beeld van de heldere 
en frissche ruimte, waarin de beste 
bloemsoorten verwerkt worden tot 
heerlijk malsch en voedzaam brood. 

Mocht Uw tegenwoordige broodleve- 
rancier U niet naar genoegen bedienen, 
bel dan 15817 op en U zult tevreden zijn. 



HOTEL DE L'EUROPE 

VREDENBURG 14 



CENTR. VERWARMING - KOUD EN WARM WATER 
PRIMA KEUKEN - BILLIJKE PRIJZEN 




DELICATESSENHANDEL „JULIANA" 



LTJNMARKT 1 - 
NOBELSTRAAT 30 



TEL. 10231 
TEL. 12404 



COMESTIBLES - DELICATESSEN - WIJNEN 
CHOCOLATERIE in uitsluitend betere soorten 



en verrees, naar het ontwerp van den stadsarchitect Willem van 
Noort (tevens bekend beeldhouwer), de nieuwe gevel uit zandsteen 
opgetrokken, met ,,sess blauwe pijlaers" in het front der beneden- 
verdieping en versierd met een rijkdom van ,, wapenen mit alle 
ander cyraetgien (sieraden) van candelaberts, friesen, capteelen, 
hoofden en anders verguldens mit fijnen goude." Het Centraal 
Museum te Utrecht bezit verscheidene fragmenten van dezen, oor- 
spronkelijk met verschillende kleuren beschilderden gevel. In 1582 
werd „Hasenbergh" nog van een sierlijk torentje voorzien, waarin 
een carillon werd aangebracht en dat tot halfweg de XVI Ie eeuw 
voor het doen van sterrenkundige waarnemingen heeft gediend. 
„Lichtenbergh" was het stamhuis van het oud-Utrechtsche geslacht 
van dien naam en de twisten in de XlVe eeuw tusschen de aristo- 
cratische „Lichtenbergers" en de democratische „Gunterlingen" in 
de stad Utrecht vertoonen analogie en samenhang met die der Hoek- 
schen en Kabel j au wschen in Holland, die der Bronkhorsten en 
Heeckerens in Gelre en der Vetkoopers en Schieringers in Friesland. 

In 1824 werden „Hasenbergh" en ,, Lichtenbergh" — benevens 
daaraan grenzende panden — afgebroken en bouwde men daar ter 
plaatse in „griekschen stijl" het tegenwoordige gebouw, drie ver- 
diepingen hoog, door vier Dorische zuilen bewaakt. In het, voor 
den tegenwoordigen dienst veel te kleine stadhuis zijn hoofdzakelijk 
de gemeentelijke administratie-bureaux gevestigd. Bezienswaardig- 
heden bevat het gebouw niet. 

In het oude stadhuis en wel meer speciaal in de Raadzaal van 
,,Hasenbergh" werd de Vrede van Utrecht in 1713 gesloten, de serie 
verdragen, die een einde maakte aan den Spaanschen Successie- 
oorlog. De Stadhuisbrug — vroeger de Plaats genoemd — was in 
oude tijden het middelpunt van het stadsgebeuren; tot het begin 
der XVIe eeuw was zij de gerechtsplaats; de politieke gildewoelingen 
concentreerden zich veelal voor den zetel van het Stadsbestuur; 
huldigingen van vorsten, blijde inkomsten van nieuwe bisschoppen, 
feestelijke ontvangsten van hooge gasten werden veelal hier met 
eerepoorten, muziek en vreugdevuren gevierd en de leerlingen der 
Hieronymusschool gaven op de Plaats hun openbare tooneel- 
voorstellingen; ook de rumoerige trekkingen der stadsloterijen ter 
stijving van de gemeentekas, hadden in de Middeleeuwen in den 
omtrek van de tegenwoordige Stadhuisbrug plaats. 

De STADHUISBRUG — tot 1476 bestaande uit twee brug- 
gen, waarvan één de Choorstraat met het Oud-Kerkhof, de 
andere de beide zijden van de Oude Gracht in de richting 
Ganzenmarkt verbond — is een bizonder mooi plekje in het 
Utrechtsche stadsbeeld. Rechts hebben wij een kijkje op de 
VISCHMARKT, waar nog eenige geveltjes met luifels en 
typische gevelsteenen (,,De Gouden Arend", ,,Verghulde 
Elgher", ,, Vergulde Scheepje",) herinneren aan het Utrecht 
van jaren-her: midden over de gracht heen (dit stukje 



65 



gracht liep eens rondom den wal van den t burcht Trecht) 
onder een zinken overkapping de eigenlijke vischmarkt. : 




Gezicht van de Vischmarkt af onder de Maartensbrug. 

Het ziet er daar, afgescheiden van de zinken overkapping, die aan 
een stationskap doet denken, nog wel schilderachtig uit, maar hoe 
mooi moet het er geweest zijn, toen de oude houten galerij uit het 
jaar 1656 de verzamelplaats was voor de „viscopers", de oude 
huisjes nog langs den grachtkant stonden, met hun wisselende gevel- 
lijnen en men met een trapje van de Stadhuisbrug naar de 
Vischmarkt moest afdalen. 

Tusschen het Stadhuis en de Vischmarkt mondt uit het 
OUD-KERKHOF, een der meest klassieke plekjes van het 
oude Utrecht, dat in allervroegste tijden tot een begraafplaats 
schijnt gediend te hebben, in later tijden lang de woonplaats 
geweest is der patricische families van het deftige Utrecht en 
thans geworden is een winkelcentrum van beteekenis, waar 
de allermodernste winkelpui-architectuur reeds luidkleurs haar 
eerste kreten slaakt. Maar het mooiste in dit stadsgedeelte is 
wel het gezicht van de trappen van het Stadhuis af over het 
verdere gedeelte van de Oude Gracht. Aan de boorden van 
dezen voor ons uit liggenden kronkel van den ouden Rijn 
klopte het hart van Oud-Utrecht als koopstad. 



66 



De gloriedagen van Utrecht als internationaal handels- 
centrum zijn lang voorbij — in de XlIIe eeuw reeds kwam de 
achteruitgang — maar nog dragen de niet altijd even fraai 
gemoderniseerde winkelhuizen langs deze gracht hier en daar 
namen, die aan dat verleden herinneren. Straks, na de Bakkers- 
brug, zullen wij hen voorbij komen: het vanouds bekende 
Kasteel van Antwerpen, P r o e y s e n b u r g h, 
Schinckelenborch, Blankenburch en Groot- 
en Klein Blankenburch, Fresenburch (re- 
naissance trapgevel uit de tweede helft der XVIe eeuw met ankers 
en modern cartouche; ook dit huis heeft al een glazen winkelpui 
gekregen) en aan de overzijde van de Gracht het huis 
Putruwiel. En al zijn de gebouwen nieuw en dragen zij 
alleen den ouden naam nog in den gevel als het eenig-over- 
geblevene van een glorieuzen tijd, toch zal men voelen, dat 
hier nog het hart klopt van den Utrechtschen handel, al is 
het geen wereldhandel meer en al zijn de Utrechtsche markten 
teruggevallen op het peil van slechts gewestelijke beteekenis. 
Hier ervaart men, wat Utrecht thans beteekent als winkelstad; 
hier is nog, in de buurt van den Steenweg, de Ganzenmarkt, 
het Vredenburg en de Neude, het commercieel centrum der 
stad en al is veel oudheidkundig schoon langs deze gracht 
vernietigd, al zijn de fleurige facades met decoratieve top- 
gevels verdwenen en al is de schilderachtige verscheidenheid 
van stoepen en bordessen vervangen door de eentonigheid 
van een nuchter trottoir, toch vormt dit gedeelte der Oude 
Gracht nog heden ten dage, hetzij overdag in vol zonlicht, 
hetzij des avonds als de klaterende lichtschijn uit de breede 
winkelramen weerkaatst en schittert in den stillen glans van 
het donkere water, een der mooiste, een der eigenaardigste, 
voor vreemdelingen een der onvergetelijke, voor stadgenooten 
een der nooit-vervelende, altijd weer opnieuw boeiende gracht- 
gezichten van ons land. 

Maar .... wij staan nog steeds op de trappen van het stad- 
huis. En voor wij nu deze gracht verder afwandelen, laat ons 
even, langs het stadhuis gaan naar de GANZENMARKT. 
Het Hoofdbureau van Politie is daar gelegen — ook 
dit wacht binnenkort een betere huisvesting — maar niet dat 
is het doel van onzen tocht: liever richten wij den blik op een 
huis in den hoek: van onderen een moderne winkelpui, maar 
van boven nog een aardig oud geveltje met traptoren; doch ook 



67 



daarvoor gingen we niet naar de Ganzenmarkt. Het doel is 
dit: midden in de Ganzenmarkt is een naar beneden leidende 

tunnel, waardoor men op de 
laaggelegen werf aan de Oude 
Gracht komt. Het is een van de 
overgebleven Wedden, waar- 
aan Oud-Utrecht zoo rijk was: 
gelegenheden om de paarden te 
laten waden. En dat kleine wan- 
delingetje naar den lagen gracht- 
kant, waar nog een aardig boom- 
pje triomfantelijk staat te geuren, 
moet U niet verzuimen; het is of 
men in een andere wereld komt, 
of men Utrecht, zoo van uit de 
laagte, op heel andere wijze 
bekijkt en de lust bekruipt ons 
om een van de roeibooten, die 
hier aan den wal gemeerd liggen 
los te maken en een watertochtje 
Het Stadhuis en de Stadhuis- te gaan maken langs de grachten 
brug gezien vanaf het Wed van Utrecht, onder de vele, vele 
aan de Ganzenmarkt. bruggen door, die soms als spe- 
lonken zich welven over het water. En dan voort te glijden 
over het water, met hoog boven je de straat en langs al die 
schilderachtige hoekjes met doorzichten op den Domtoren en 
met vlak bij ons aan weerszijden van de gracht, de rommelige 
werven; rommelig, omdat zij nog meeleven, zoo oud als zij 
zijn, het jonge, drukke handelsleven van de oude stad 

En welk een oude stad! Er is een tijd geweest — toen Amsterdam 
nog een visschersdorp was en Rotterdam nog niet bestond — dat 
te Utrecht samenkwamen de groote wegen van den internationalen 
handel en Utrecht, door de in open verbinding met het Aelmere 
staande Vecht, de economische uitvalspoort was naar het Noorden, 
de zoete inval voor al wat uit de Oostzee en Friesland zijn weg langs 
Rijn en Zeeuwsche stroomen zocht naar zuidelijker markt of afzet- 
gebied. Er is een tijd geweest, toen Utrecht, erfgename van het door 
de ongebonden Denen verwoeste Dorestad, door hare vier jaar- 
markten, vreemde handelaren noopte den steven naar het gewijde 
Trecht te wenden, om er op de hooge kerkelijke feestdagen de 
markten met hunne uitheemsche koopwaren te bezoeken. Er is 
een tijd geweest, dat de Utrechtsche kooplieden in zuid en noord 
bekend, gevreesd en berucht waren om hun koopmanschap niet 




63 



alleen, maar ook om hun durf en stoutmoedigheid, waarmede zij 
voor den handel den weg baanden naar verre streken en vreemde 
landen. En het was in dien tijd, dat langs het grachtgedeelte, dat 
wij hier, met winkelpaleizen omzoomd, voor ons zien liggen, de 
sterke koopmansburchten verrezen, de groote koopmanshuizen met 
hun trap- en topgevels en over-beurende luifels, monumenten van 
werkkracht en welvaart, met, laag. aan de gracht de werven als los- 
en laad-plaatsen der goederen; de stoere als kasteelen versterkte 
hofsteden, waar de Utrechtsche coopluyden — half koopman, half 
krijgsman — in de enorme gewelfde kelders en op de ruime zolders 
niet alleen hun waren stapelden, maar vanwaaruit zij elkander 
ook fel en veelmaals beoorloogden. 

En nu wandelen wij verder de Oude Gracht af, die hier 
heet ,,Oude Gracht W.Z." (Weerdzijde) in tegenstelling met 
het eerste deel der Oude Gracht, dat ,, Tolsteegzijde" heet, en 
wij passeeren, even voorbij de Bakkersbrug, een huis, dat 
hoewel verbouwd en verprutst, toch nog éénig denkbeeld geeft 
hoe deze middeleeuwsche koopmansburchten in vroeger 
dagen het stadsbeeld moeten hebben beheerscht : ,,HET 
HUYS OUDAEN". Het staat er, een oud brok onwrikbaarheid, 
als een laatste overblijfsel van het feodale Utrecht, als een 
grimmige herinnering uit een kleurrijk verleden en het houdt 
daar, met zijn zware sombere, muren en zijn kasteelachtig 
hoektorentje, tusschen al die nieuwe puien van weinig steen 
en veel glas, als een strenge, geharnaste ridder zwijgend de 
wacht der eeuwen. Vraag niet, in herinnering aan het rijk 
verleden van dit huis, naar zijn tegenwoordige bestemming; 
de twee beelden boven het hardsteenen poortje, dat het jaar- 
tal 1680 draagt, nemen mijn taak om te antwoorden over: 
thans is het huis Oudaen het OUDE MANNEN- EN VROUWEN- 
HUIS der NED. HERV. DIACONIE. 

Oorspronkelijk heette het huis niet Oudaen , maar Zoudenbalch, 
naar den stichter. Al spoedig schijnt het huis van eigenaar ver- 
anderd te zijn en kreeg het, naar den bewoner, Dirck van Houdaen, 
den naam, dien het nu nog draagt. Ten tijde van het beleg van het 
kasteel Vredenburg in 1577 stonden op het dak van dit huis de kanon- 
nen opgesteld, die de Spanjolen moesten bestoken. In 1713 tijdens 
de vredesonderhandelingen woonde hier de slimme en handige 
abbé de Polignac, ambassadeur van Frankrijk, van wien het be- 
kende woord afkomstig is: ,,on traïtera de la paix chez vous, pour 
vous et sans vous", met welke woorden inderdaad, wat Holland 
betreft, de vrede van Utrecht in zijn ware beteekenis was samen- 
gevat. In 1758 werd het huis Oudaen aangekocht door de Ned. 
Herv. Diaconie en toen verschenen ook, boven het poortje, de twee 



69 



stomme getuigen van Oudaen's nieuwe bestemming. De tegen- 
woordige gevel geeft niet geheel weer wat het huis vroeger is geweest; 
de oude vormen zijn voor een groot deel verloren gegaan, de oor- 
spronkelijke kanteelenrij is vervangen door een vreemdsoortige 
balustrade; het kleine hoektorentje schijnt oorspronkelijk een hooge 
schoorsteen te zijn geweest. Toch is — trots alle kritiek — Oudaen 
een voor Utrecht dierbaar pand. 

Aan de overzijde van de gracht de achtergevel van het 
POSTKANTOOR, een van de nieuwe groote bouwwerken, 
waarmede de moderne architectuur, midden in de oude stad, 
haar ,, plaats in de zon" opeischt. Ik zeg niets kwaads van 
dit gebouw, dat wij straks, van de Neude af, eerst op zijn 
volle waarde zullen kunnen schatten, doch zij, die nog den 
ouden toestand van dit Oudegracht-gedeelte gekend hebben, 
toen de kromming hier zoo wonder-fraai werd geleid door 
den gesloten grauwen huizenrand, de rij saamgedrongen, 
typische XVIIe eeuwsche gevels van de oude Muntgebou- 
wen — zij zullen het toch wel 'n beetje spijtig vinden, dat in 
dien fijn geschakeerden gevelband thans, èn door den open 
achtergevel van het Postkantoor èn door de verbreeding van de 
Potterstraat twee groote gaten gekomen zijn, die dit eertijds 
karakteristieke stadsbeeld er niet mooier en zeker niet: 
intiemer op hebben gemaakt. 

Ik sprak van gaten in den grachtwand, maar had ook van 
bressen kunnen spreken, want inderdaad staan wij hier op 
een slagveld: wanneer wij op de Viebrug (die ook al op de 
nominatie staat om verbreed te worden) rechts en links kijken, 
en vóór en achter ons de oude gracht zien liggen, met beneden 
de werven, (die op dit punt wel wat minder rommelig konden 
wezen, om het stadsbeeld schóónerte doen zijn) en aan den ge- 
zichtseinder een ouderwetschen molen, dan voelen wij aan- 
stonds, dat wij op een kruispu nt terecht zijn gekomen, waar 
de stille bekoorlijkheden van een oud stadsgedeelte en de luid- 
ruchtige eischen van het moderne verkeer een formeel straat- 
gevecht aan het leveren zijn. Terwille van den grooten ver- 
keersader, die Utrecht doorsnijdt en het westen van ons land 
verbindt met het oosten, is de Potterstraat reeds tot een 
tusschenvorm van plein en straat verbreed en zal ook de Vie- 
straat in de naaste toekomst, wellicht ten koste harer gezellig- 
heid, breedere stads-allures gaan aannemen, zoodat metter- 
tijd de Viebrug zal worden het punt, waar Oud en Nieuw, 



70 



na volstreden strijd, elkaar de hand kunnen reiken: over de 
brug heen het moderne auto-verkeer met aan weers- 
zijden langzaam-aan tot boulevards groeiende breede straten 
en hooge huizenrijen van een monumentale architectonische 
eenheid; en onder de brug door de oude nauwe water- 
weg, met zijn verzonken werven en de vertrouwelijkheid 
van de lage geveltjes en het intieme spel van wisselende 
lijnen en verstorven kleuren. Ruim baan voor het verkeer 
der toekomst, maar waar het kan: handhaving van de 
oude waarden, die ons lief zijn in een oude stad. 

Wij vervolgen onze grachtwandeling, de Viebrug voorbij, 
langs de REM BRANDT- BIOSCOOP, [arch. M. Rietbergen) 
waarvan het interieur geheel in stijl is met hetgeen de film- 
wereld voor haar zevenden hemel wenscht, en een huis 
verder, de statige, door zware zuilen geschraagde gevel van 
de R.K. PAROCHIEKERK VAN ST. AUGUSTINUS. 

Deze kerk dateert uit 1839; inwendig maakt het kerkgebouw een 
imposanten indruk; zware pilasters dragen het forsch gewelf; door 
rondboogvensters staat het interieur in licht; het hoofdaltaar is 
plechtig overhuifd door een op korinthische zuilen rustend baldakijn. 
De marmeren doopvont is een geschenk van Koning Lodewiik Napo- 
leon. Onder de kerkschatten oude schilderijen, zilverwerk en een 
zeer bizondere witzijden kazuifel met geborduurd beeld van den 
Evangelist Johannes. 

Bij de J ac o b s b r u g — een der oudste Utrechtsche brug- 
gen — onderbreken wij even onze verdere grachtwandeling; wij 
slaan links de Jacobskerkstraat in en bevinden ons na eenige 
stappen reeds op een oud pleintje met drie zware boomen 
en grauw en groezelig terzijde daarvan, een heel oud kerk- 
gebouw: de JACOBIKERK. De kerk, een, die veel van zich 
heeft doen spreken, ligt nu, met haar vierkanten afgestompten 
toren, vereenzaamd, in het hartje van een volksbuurt; het 
lijkt wel of de kleine huisjes rondom de kerk te hoop zijn 
geloopen en er in een kluwen omheen zijn blijven staan in 
plotselinge versteening; een paar ervan zijn tegen het kerk- 
gebouw zelf terechtgekomen en hebben er zich, voor altijd 
aan vastgeklampt. Men wordt dan ook, als men zoo om de 
kerk heenwandelt, niet goed uit haar bouworde wijs en men 
vraagt zich verwonderd af, waar toch eigenlijk wel die toren 
vandaan komt, die als midden in het gebouw geplant, uit 

71 



de kerk schijnt op te rijzen. Maar een bezoek aan het inwendige 
van het gebouw zal veel verklaren. 



Waar nu de JACOBIKERK staat, stroomde vóór 1148 nog 
een tak van den Rijn; het eerste kerkgebouw, dat daar ter plaatse 
in diezelfde eeuw nog verrees, werd door brand geheel vernield; 
het hooge middenschip van het tegenwoordige kerkgebouw schijnt 
van de oude kruiskerk nog een overblijfsel te zijn. Thans is, na eene 
verbouwing in de XVe eeuw, de Jacobikerk een gothische hallen- 
kerk geworden met drie schepen, een der weinige oude Utrechtsche 
kerkgebou ven, waarbij ook het koor nog behouden is gebleven. 
Het middenkoor en de beide zijkoren zijn door fraaie koperen hek- 
werken afgesloten; de hekken der zijkoren (koperdrijfwerk van den 
Mechelschen meester Jan van Ende) bevinden zich nog op dezelfde 
plaats, waar zij tusschen 1516 en 1519 gesteld werden; maar het 
middenkoor-hek (werk 49 jaar later door den Antwerpschen geel- 
gieter Jan de Clerck vervaardigd) vervangt het, ook door van 
Ende ontworpen en, bij den beeldenstorm verloren gegane hek, dat 
meer naar voren stond. De Jacobikerk had verscheidenekapellen; een 
tweetal heeft nog heden houten hekken met opmerkelijk ijzeren 
traliewerk; één ervan, de St. Andrieskapel, valt in dit stemmige 
kerk-interieur wel zéér in het oog door een geschilderd hek in 
rood, groen en wit, de wapenkleuren van de familie Panthaleon 
van Eek, die in deze kapel haar graf had. In een pilaar naast deze 
kapel een kluis. De consistoriekamer (1483) heeft een fraai kruisgewelf 
en een in de muur gemetselde oude geldkist met geweldige sluiting. 
Dat deze kerk een voorname rol gespeeld heeft in het leven onzer 
voorouders blijkt wel uit de aanwezigheid van vele herinneringen 
(in den vorm van kronen, borden, zerken en vloertegels met hei- 
ligen-attnbuten, die de grenzen aangaven van broederschapsperken) 
aan de gilden en andere middeleeuwsche corporatien, die in deze 
kerk hunne altaren en grafsteden hadden. Het orgel dateert uit 
het begin der XVIIe eeuw; de op een rijk versierden drievoet rustende 
preekstoel en het doophek uit de XVIe eeuw. Al rondwandelende 
ontdekt men vanzelf de grafmonumenten, memorietafels, gebeeld- 
houwde grafzerken, herinneringen aan den Armenpot (nog op den 
huidigen dag zijn aan de vier voormalige kerspel- of parochiekerken 
van Utrecht brooduitdeelingen aan de armen verbonden en de 
Jacobikerk heeft zelfs nog haar „Maandagsche"- en „Donderdag- 
sche" taïel. Op de wanden van den geheel ingebouwden toren, 
muurschilderingen uit de XVe eeuw. De kerk is in 1883 geheel 
gerestaureerd en wordt nog heden ten dage door de Ned. Herv. 
Gem. gebruikt. In deze kerk heeft prins Willem I een predicatie 
bijgewoond van den hervormingsgezinden pastoor van St. Jacob, 
Huibert Duifhuis, die in 1577 als hervormer begon op te treden 
tegen de ,,abuysen des pausdoms" en een eigen St. Jacobsgemeente 
in Utrecht heeft gesticht, die later, jaren na zijn dood (1581) met 
de Gereformeerde vereenigd werd. Een eenvoudige steen onder 
het orgel wijst de plaats aan, waar Duifhuis begraven werd. 



72 



Weder buiten gekomen, kijken wij het kerkgebouw nog eens 
aan — men loope daartoe een goed eind de Jan Meyenstraat 
in — en wij begrijpen nu ook beter, hoe de bouw eigenlijk in 
elkaar zit. De toren had oorspronkelijk een vrij steile spits met 
leien dak, die bij de stormramp in het jaar 1674 (de cycloon, 
die de Domkerk voor de helft deed instorten) in elkaar gezakt 
is, bij welke ramp ook het klokkenspel der Hemony's te gronde 
is gegaan. Ook op dezen toren hebben bij het beleg van het 
kasteel Vredenburg in de wintermaanden van 1576 — 1577 
vuurmonden gestaan en de Spaansche bezetting schijnt deze 
vriendelijkheid niet onbeantwoord te hebben gelaten: een aantal 
in den toren gemetselde steenen kogels herinnert daaraan, be- 
nevens een, van de straat af onleesbaar, toren-opschrift: 
,,Anno 1576 hebbe min die Spaenaers leet gedaen 
Got versacht dat ick bleef staen." 

In den toren twee luiklokken; één van Steven Butendiic uit 1479, 
de andere van Jan Tolhuis uit 1556. 

Wij zullen U, vreemdeling, niet animeeren nog verder deze 
nijvere volksbuurt te doorkruisen, al zouden wij U gaarne 
een kijkje gegund hebben in het, midden in dit warnet van 
straten, stegen en slopjes gelegen ORANJEPARK, tevens speel- 
tuin, dat als een vriendelijke oase een brokje natuur brengt 
in de ietwat rommelige omgeving dezer oude stadswijk — de 
voormalige Wijk C — in de dagen van „Leve-Willem-Drie" 
en „Leve-Willemien" bekend om haar enthousiasme voor het 
Huis van Oranje. Maar indien gij U interesseert voor sociaal 
werk, maak dan van de schaarsche gelegenheid, dat gij hier 
toch in de buurt zijt, gebruik, om een bezoek te brengen aan 
het ,, ORANJE HUIS" en het clubhuis ,,JONG UTRECHT" 
aan de Catharijnekade, waar een aantal jonge menschen hun 
toegewijden arbeid geven aan de lichamelijke ontspanning en 
geestelijke ontwikkeling van het kind uit de volksklasse. 

Zie nu nog eenmaal goed onze oude Jacobikerk aan 
— de vierkante toren speelt in de silhouet der stad een voor- 
name rol — en wij gaan door de Waterstraat terug 
naar de Oude Gracht, die wij nu tot het einde, de ZAND- 
BRUG, afwandelen. Bij de Zandbrug mondt de Oude Gracht 
uit in de singelgracht en hier staan wij dus wederom voor 
de grens — nu de noordelijke grens — der oude binnenstad. 



73 



Maar Oud-Utrecht zelf eindigt hier niet: van al zeer oude 
tijden af had Utrecht aan deze zijde van haar omwalling 
een ,, voorstad": DE WEERD. Die oude buitenbuurt, door 
de Vecht in twee deelen gescheiden, was oudtijds voor eigen 
risico ommuurd en heette dientengevolge de „Bemuurde 
Weerd"; zij hield er een eigen bestuur, een eigen burgemeester, 
een eigen schutterij, een eigen predikant en een eigen karakter 
op na, tot in 1823 deze communale appendix bij de stad 
Utrecht getrokken werd en zij van dien stonde af al het eigene 
verloor, behalve haar eigen karakter, dat de Bemuurde 
Weerd tot op den huidigen dag behouden heeft. 




Weerdsluis. 



Vreemdeling, het is al weer hetzelfde liedje: hadt gij voor de 
bezichtiging van Utrecht meer tijd beschikbaar dan de korte spanne 
van één licht-dag, ik zoude ongetwijfeld met U de Bemuurde Weerd 
doorkruist hebben. Hier, waar wij nu staan, op het kruispunt van 
Oude Gracht, Singelgracht en Vecht, stond vroeger de Waardpoort, 
ook wel Amsterdamsche poort genoemd en de Weerd was in oude 
dagen herhaaldelijk een vooruitgeschoven bolwerk van Utrecht 
tegen Amsterdam, méér nog, tegen het grafelijke Holland; dit 
voorstadje heeft dan ook in geval van oorlog de krijgsmisère uit 
de eerste hand gehad. In vredestijd was de Weerd een handels- 
wijk en schipperskwartier, dank zij hare gunstige ligging aan de 
Vecht, oudtijds een deel van den belangrijken waterweg, die de 



74 



hoofdstad verbond met den Rijn. En nog heden is het hier een 
drukke handelswijk gebleven met veel scheepvaart, waar ook de 
industrie zich genesteld heeft. Maar de Weerd heeft voor Utrecht 
nog een andere beteekenis: zij vormt de ietwat rumoerige en roezige 
inleiding tot de Vechtstreek, dat lustoord onzer voorouders, waar, 
langs de kronkelende oevers van de „Zegepralende Vecht" de buitens 
en optrekjes lagen der rijke en machtige Amsterdamsche koop- 
lieden en waar, even buiten Utrecht, ook gelegen heeft de ook 
buiten de landgrenzen eenmaal (XVIIIe eeuw) beroemde lusthof 
,, Zijdebalen" — de naam komt nog voor op een poortje aan den 
Hoogenoord — beroemd niet alleen om de pracht zijner gebouwen 
en tuinen, maar meer nog om de op dat landgoed gevestigde zijde- 
reederij, waar eenmaal honderden handen werkzaam waren in de 
sedert lang uit onze stad verdwenen zijde-industrie. Maar van dat 
„noordelijk Lyon" is tegenwoordig niets meer over. Toch is een 
wandeling in deze buurten niet onaardig; zoo is er de R. K. B ij- 
lt e r k d e r H. Monica aan den Heerenweg en aan de Adelaar- 
straat een molen, om ,,tot Utrechts pronk" er ,,wel te malen" — 
er is ook nog menig typisch stadsbeeld: lage geveltjes aan den 
Hoogenoord (hoek Werfsteeg), de Lauwerecht, de Hoogelanden en 
de Jagerskade (hoek Anthoniestraat) , staan er over de grijze straat- 
keien heen nog zoetjes te peinzen over den goeden ouden tijd en 
in het glinsterende grachtwater schijnt de ,,R o o d e Brug" 
oude herinneringen uit de dagen van diligence en trekschuit 
op te halen. Maar hooge fabrieksgebouwen en de motorschepen 
aan den wal spreken de taal van 'n druk en bezig heden en noemen, 
met het geluid van ijzer op staal, het woord: industrie. Utrecht 
een industrie-stad? Hier vestigden zich de pioniers, die Utrecht tot 
industriestad maakten; straks, langs het Merwedekanaal, zullen 
wij de bewijzen zien, dat Utrecht reeds industrie-stad geworden 
is.... 

Vreemdeling, dit plekje bevalt U, niet waar? De drukke 
scheepvaart, het gedoe met de sluizen, — in 1926 passeerden 
10500 schepen met een inhoud van 339404 ton de Weerdsluis — 
het kijkje op de Vecht en op de stadsgracht, die zich al weer 
verder om de binnenstad heenkromt. . . Maar wij moeten 
gaan. Van het noorden nu naar het oosten der stad. En wij 
zetten onze wandeling voort langs de andere zijde der Oude 
Gracht, weer terug tot aan de Jacobsbrug. Links af, de Jaco- 
bijnenstraat in, en de stilte en kalmte omvangt ons van een 
stadsgedeelte van gansch ander uiterlijk dan, aan de overzijde 
der Oude Gracht, de buurt rondom de Jacobikerk. De Jaco- 
bijnenstraat loopt uit op de B r e e d s t r a a t, waar het 
eenmaal wel heel erg deftig wonen moet zijn geweest, want 
de huizen doen nog zoo'n beetje stijf en afgemeten en de 
oudjes onder hen zien in hun versleten kleeren — de 



75 



qualiteit ervan was goed — toch nog zoo'n beetje laatdun- 
kend op den voorbijganger neer. Het huis, thans bekend als 
„Het ijzeren Hek" — zetel van Armenzorg — was in de 
XVIe eeuw een sieraad van deze straat. 

Vroeger toen er in de buurt nog het klooster der Predikheeren 
stond, waaraan het Predikheerenkerkhof zijn naam ontleent, werd 
er op de Breedstraat een varkensmarkt gehouden, maar deze ,,af- 
zigtelijke" instelling paste in het geheel niet bij de ,,zoo vele aan- 
zienlijke huizen, welke de boorden dezer breede straat versierden", 
zoodat de varkens ergens anders gedomicilieerd werden en de Breed- 
straat zich de ,, vrije mercten van alrehande linnewaet" zag toe- 
bedeeld, die er heden ten dage nog worden gehouden, aangevuld 
met aardewerk, glas en ongeregelde goederen. En zoodanig deftig 
was deze buurt in oude tijden, dat nog in 1648 de Vroedschap in de 
Breedstraat verbood de uitoefening van ambachten van koperslager 
of smid, „teneinde de rust der aanzienlijke buren niet te storen". 
Is het wonder, dat deze straat, die in haar goede dagen zoo verwend 
werd, haar afkomst en verleden niet spoedig vergeet? 

Stemmig en in stijl wordt deze, met een rij boomen in 
het midden beplante straat, waaraan het NED. HERV. DIA- 
KONIEWEESHUIS (fraaie gobelins in de regenten-zaal), 
afgesloten door de drie gerestaureerde trapgeveltjes op den 
hoek Loefbergmakerstraat — Jacobijnenstraat; in de onmiddel- 
lijke nabijheid een goed bewaard renaissance-geveltje met 
poortje uit 1643. Met de rustige rust van deze straat zal het 
echter wel gedaan zijn, zoodra de plannen verwezenlijkt 
worden om deze Breedstraat op te nemen in den nieuwen 
grooten verkeersweg, ter ontlasting van de reeds nu overbelaste 
route Voorstraat — Potterstraat — Viestraat — Vredenburg. 

Aan het einde van de Breedstraat een open plein, het 
Begijnehof. Wij loopen, even links, op een ouden gevel 
aan, met een poortje (1645) en mooi gebeeldhouwde deur, 
vroeger in het Museum, nu in actieven dienst hersteld. Dan 
gaan wij rechtsaf en komen in de drukke Voorstraat; 
wij volgen nu de tramlijn tot we aan de Driftbrug (waar- 
om niet Plompetorenbrug?) komen met rechts de Drift 
en links de Plompetorengracht: twee vereenzaam- 
de grachten. Aan deze zijde van het smalle grachtwater het 
concertgebouw DE PLOMPETOREN, met schouw- 
burgzaal en verschillende lokaliteiten voor het houden van 
vergaderingen. Aan de overzijde van de Drift, op den hoek van 
de Wittevrouwenstraat, een rij gebouwen, eenmaal bestemd tot 
K o n i n k 1 ij k P a 1 e i s in den tijd, toen koning Lodewijk 



76 



Napoleon zijn oog geslagen had op Utrecht om haar tot zijne 
residentiestad te maken. Heel ,, vorstelijk" zien deze gebouwen 
er niet uit en ook inwendig is er niet veel meer te vinden, 
dat herinnert aan koninklijke pracht en heerlijkheid. Jaren- 
lang is er, na den kortstondigen luister van provisorisch 
koninklijk paleis, het Hoog Militair Gerechtshof in gevestigd 
geweest en een ander gedeelte van het paleizen-complex is 
ingericht geworden tot Rijks-Universiteits-bibliotheek. Het 
eenige, dat, uitwendig in de verte althans, aan iets ,, vorste- 
lijks" nog doet denken, is de hooge inrijpoort aan de Witte- 
vrouwenstraat, maar die is eerst gebouwd . . . lang nadat de 
vorstengunst zich van deze gebouwen en van Utrecht had 
afgewend. 

Ik had, vreemdeling, wel graag met U de Drift afgewandeld, 
omdat wij hier weer een ander beeld van Utrecht als grachten- 
stad krijgen. En ik zou U zoo graag Utrecht laten zien als een stad 
met v e e 1 z ij d i g schoon. Een stad vol nuanceering. De Drift 
is eigenlijk, en profil gezien, maar een halve gracht: aan één 
zijde van het water slechts een straatgedeelte (wat de Drift gemeen 
heeft met de Kromme Nieuwe Gracht) en aan de andere zijde van 
den zeer smallen watergang de huizen onmiddellijk uit de 
diepe gracht oprijzend. En ook hier hebben dus alle huizen weer 
'n bruggetje voor de deur, wat aan het geheel zoo'n speelsch 
rhythme geeft. Maar vooral is een wandeling langs de Drift aan te 
bevelen, omdat men hier nog vrij gaaf een aantal aanzienlijke 
woningen vindt, die, al zijn ze nu ook al niet van zoo heel ouden 
datum, en qua architectuur ook niet zoo heel bizonder, toch een 
indruk geven van de welgesteldheid van onze stad in tijden, die nog 
niet zoo ver achter ons liggen. Was de Drift en de gebouwen 
er langs, gebleven zooals zij waren in de XVIe en XVIIe eeuw, 
dan zou haast elk der huizen een stuk geschiedenis hebben te ver- 
tellen. Vooral het Huis Renesse zou een boekje open 
kunnen doen; in deze aanzienlijke woning, waar thans de Utrecht- 
sche historie haar dagboek bijhoudt in de rubriek Stadsnieuws van 
het ,,Utrechtsche Nieuwsblad", was in October 1566 Prins Willem 
van Oranje de gast van Heer Jan van Renesse, een der onder- 
teekenaren van het smeekschrift der Edelen, in April van dat jaar 
aan de Spaansche landvoogdes te Brussel aangeboden; maar meer 
dan dit prinselijk bezoek is in de herinnering der Utrechtsche burgerij 
blijven voortleven de legende, dat in dit huis de Bloedraad onder 
Alva zou hebben vergaderd en dat de grimmige Hertog (die waar- 
schijnlijk nimmer deze woning betreden heeft) gewoon was te paard 
zoo-maar de breede trap op te rijden, die uit de vestibule naar de 
kapel leidde. Maar voor we aan dit huis komen, zijn wij eerst, van 
de Driftbrug komende, het gebouw van het RIJKS- en 
GEMEENTE-ARCHIEF gepasseerd (dagelijks van 9 — 4 uur geopend 
voor het raadplegen van de bronnen der historie van provincie 



77 



en stad, o.a. de topografische en historische atlassen) en hebben 
wij ook reeds een oogenblik stilgestaan voor den imposanten gevel 
van het KUNSTHISTORISCH INSTITUUT. Aan het einde van 
de Drift (maar gij kunt dit misschien nog meer op uw gemak gaan 
zien straks, als wij op het Janskerkhof komen) moeten wij even gaan 
bekijken het fraai gerestaureerde, uit de samenkoppeling van twee 
huizen ontstane gebouw, waarin thans de UTRECHTSCHE HYPO- 
THEEKBANK is gevestigd; een XVIIe eeuwsche trapgevel met steenen 
poortingang en barokke nissen boven de vensters. En vóór dit ge- 
bouw vindt men nog langs de gracht, een laag kade-muurtje: het 
onherroepelijk laatste overblijfsel van de typische, knusse muurtjes 
die vroeger langs alle grachten stonden en thans overal verdwenen 
zijn . . . behalve dan op dit rustige plekje. 

Wij vervolgen onzen weg door de Wittevrouwen- 
straat; door de hooge inrijpoort halfweg, heeft men een aardig 
kijkje op de vroegere binnenplaats van het ci-devant koninklijke 
paleis; het langwerpige gebouw recht voor ons is een deel van 
de RIJKS-UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, waarvan de in- 
gang zich iets verder in de Wittevrouwenstraat bevindt, in 
het moderne hoekgebouw. 

De Universiteits-bibliotheek is de oudste der academische instel- 
lingen; zij ontstond uit de, lang vóór de stichting der Hoogeschool, 
in 1581 opgerichte stadsboekerij en was oorspronkelijk gevestigd 
in het koor der Janskerk. In 1820 verhuisde de bibliotheek naar haar 
tegenwoordige ,, stand" -plaats, de grande galerie en hofkapel van 
het voormalige paleis; in 1909 werd naar de zijde van de Witte- 
vrouwenstraat een nieuwe vleugel bijgebouwd, waarin o.m. de 
administratielokalen en leeszalen gevestigd zijn. 

Inhoud op 1 Januari 1927: 295.800 boekdeelen, 164.200 acade- 
mische geschriften, 1800 vervolgwerken, 16.100 pamfletten en bro- 
chures, 4000 land- en zeekaarten, 2400 handschriften en 800 in- 
cunabelen. Merkwaardigste en fraaiste handschriften met fijn ge- 
teekende miniaturen zijn: ,,het Utrechtsch psalter", tusschen 816 
en 835 te Reims onder bisschop Ebo vervaardigd; het ,, Pontificale 
van St. Marie", Noord-Nederlandsch werk uit het midden der XVe 
eeuw; ,,Augustinus, De civitate Dei", Zuid-Nederlandsch werk uit 
het laatst der XVe eeuw; Latijnsche bijbel in 6 groot-folio deelen. 
tezamen wegende 108 K.G., in de jaren 1464 tot 1476 door de Broeders 
des gemeenen levens te Zwolle, voor 500 goudguldens voor rekening 
van Hermanus Droem, deken van St. Marie te Utrecht, geschreven. 

De bibliotheek is geopend op werkdagen van 9 y 2 v.m. tot 5 uur 
n.m., bovendien de leeszaal op Maandag-, Dinsdag-, Donderdag- 
en Vrijdagavond van 7 tot 10 uur n.m. In de universiteitsvacanties 
is ze slechts van 1 tot 5 uur n.m. voor het publiek toegankelijk. 

Aan het einde van de Wittevrouwenstraat is het wederom 
de stadsgracht, met den rianten singel erlangs, die er ons 
aan herinnert, dat wij aan de grens gekomen zijn van de 



78 



oude binnenstad. Ook de poort, die in vroeger eeuwen hier 
'n waakzaam oogje in het zeil moest houden, deWittevrou- 
wenpoort — waarom, o, roemrijk voorgeslacht, moesten bij 
de slechting van de wallen alle poorten van Utrecht ver- 
dwijnen; en er waren zulke móóie onder! — heeft heel wat 
lief en leed de stad in- en uit zien gaan. Als het vijandelijk 
gevaar van uit het oosten naderde, was het de Wittevrouwen- 
poort (toen ook wel Geldersche Poort geheeten) die de eerste 
slagen moest opvangen, want zij gaf toegang tot den grooten 
straatweg naar de Bildt (den oudsten steenen weg van ons land) 
en nog heden gaat alle verkeer, dat van Arnhem of Amers- 
foort naar of door Utrecht moet, langs dezen weg 
en over deWittevrouwenbrug, die de fraaie poort aan het 
einde der Wittevrouwenstraat heeft vervangen. Links van 
de brug, naast het politiebureautje, staat nog, dwaselijk op 
non-actief, een hek met twee leeuwtjes, dat eenmaal toegang 
gaf tot de Willemskazerne, wier fameuze brand in 1877 
den stoot gaf tot een reorganisatie van het brandwezen, waar- 
door thans Utrecht zich mag verheugen in een uitstekend 
brandweercorps, ongeveer 400 man sterk, die op enkele uit- 
zonderingen na, allen in vrijwilligen dienst zijn. De twee 
vleugels van de Willemskazerne, die destijds gespaard zijn 
gebleven, huisvesten thans de kantoren van het KADASTER 
EN DE HYPOTHEKEN en het MUSEUM VAN KUNST- 
NIJVERHEID (belangrijke verzameling voorwerpen op kunst- 
nijverheidsgebied) , terwijl het afgebrande middenstuk der 
kazerne in 1882 vervangen is door de HOOGERE BURGER- 
SCHOOL VOOR MEISJES, met annex LYCEUM VOOR 
MEISJES. 

'n Enkele historische herinnering, terwijl gij U staat te verlustigen 
in den schitterenden aanleg van het Lucas Bolwerk: oorspron- 
kelijk stond op de plek der Meisjes- Burgerschool het Witte- 
vrouwenklooster, héél vroeger min of meer een inrichting 
van armenzorg voor adellijke dames. In 1678 werden de klooster- 
gebouwen afgebroken, behalve het koor der kerk, dat nog een eeuw- 
lang ongeveer als ruïne overeind bleef staan. (Ruïnes hadden in 
Utrecht een lang leven). Op de plaats van de kloostergebouwen 
verrezen voorname woonhuizen, waaraan de op de Wittevrouwen- 
straat uitkomende Ridderschapstraat haar naam dankt. Van de 
ridderlijkheid dezer omgeving is echter niets meer over dan de her- 
innering; als sombere achtergrond greinst er thans, aan het Wolven- 
plein, de STRAFGEVANGENIS. 



79 



En nu gaan we de brug over de Stadsgracht over en wachten 
bij de tramhalte aan het begin der Biltstraat op Lijn II. 



In het stadsgedeelte aan de noordzijde der oude binnenstad de 
na den herbouw geheel modern ingerichte Gemeente-Gasfabriek 
en aan het Willem van Noortplein het woningcomplex Tuinwijk" 
(arch. A. Kool en A. H. van Rood). 

Wij zullen ons nu, alsof we in Utrecht thuis" waren, met 
een trammetje naar een der nieuwe buitenwijken van Utrecht 
laten brengen om U tevens iets te laten zien van de werkelijk 
méér dan gewone pracht van Utrecht's parken en plantsoenen. 
En nu wij toch aan het begin der Biltstraat nog moeten wach- 
ten op de tram, steken wij even de Biltstraat over om U het 
nieuwe gebouw van de OVERDEKTE ZWEM- EN BAD- 
INRICHTING te wijzen. Deze nuttige instelling ten bate van 
de lichamelijke schoonheid en reinheid van het menschdom 
opgericht, staat wel wat al te bescheiden verborgen achter 
de oude huizenrij van de Biltstraat; maar dat bouwen in het 
verborgen is hier in Utrecht zoo'n beetje gewoonte geworden. 
Straks zullen wij van uit de Biltstraat in de verte aan het 
einde van de Dondersstraat het Ooglijders-gasthuis zien liggen, 
maar niet in de as van die straat, doch terzijde weggeschoven 
achter de naar voren geschoven coulisse van een huizenrij; 
sterker staaltje van verscholenheid geven de twee gebouwen 
der vroegere Veeartsenijkundige Hoogeschool, die ook om hun 
architectuur zeer de moeite waard zijn om niet zoo achter- 
baks gehouden te worden: het ANATOMISCH INSTITUUT 
(met een zeer fraaie skelettenzaal) en DE KLINIEK VOOR 
KLEINE HUISDIEREN (beide ontworpen door arch. J. Crou- 
wel) welke gebouwen thans haast niet van den openbaren 
weg te zien zijn, verborgen als ze zijn in een der zijstraten 
van de Biltstraat en dan nog weggestopt achter een rij huizen. 
Ook tusschen Maliebaan en Weistraat staat een fraai school- 
gebouw (arch. Ir. J. de Bie Leuveling Tjeenk) gansch en al 
aan het oog der buitenwereld onttrokken en door een heel 
nauw, haast onvindbaar gangetje, bereikbaar. En zoo zijn er 
meer voorbeelden in Utrecht, welke er op wijzen, dat men 
met de plaatsing van gebouwen hier niet altijd even ge- 
lukkig is geweest. 



80 



□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□ 

□ □ 

§ COMPLETE WONINGINRICHTING VAN § 

! C. J.HEETVELD | 

□ OUDEGRACHT bij de HAMBURGERBRUG □ 

B UTRECHT § 

□ □ 

□ TEL. 10779 □ 

□ □ 

S •> 9 

□ □ 

□ □ 



Interieurs meermalen bekroond w.o. groote 



□ 



9 Eeremedailles van H.M. de Koningin. 

□ □ 

□ □ 

□ u □ 

g Enorme voorraden in alle soorten g 

§ TAPIJTEN, L00PERS, TAFELKLEEDEN, □ 

S DIVANDEKKEN. 

§ VITRAGES, BAGDADSTORES. § 

□ ' • □ 
| Wollen, Pluche- en Zijden Gordijn- □ 

□ stoffen voor Overgordijnen, Fransche □ 

en Engelsche Cretonnes. 

S LINOLEÜMS, INLAIDS EN VLOERZEILEN. § 

§ BEDDEN, DEKENS EN LEDIKANTEN. § 

□ □ 

□ Vraagt vrijblijvend prijsopgave voor g 

□ geheele of gedeeltelijke inrichting van □ 



g Uw Woning. 

□ □ 

□ □ 
□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□□ 



B HOFLEVERANCIER § 

a a 

S B 

I N.V. % B. MIDDELBEEK S 

1 KORTE NIEUWSTRAAT 1—3 I 

B SI 

a a 

a a 

a a 

a a 

a a 

1 MEUBELMAKERS BEHANGERS 1 

a a 

1 STOFFEERDERS 1 

a a 

1 B 

aHHaaaBBBaaaaaaaaHHaaaaaaaaaaaaHBHaaHaaaaaaH 

SBSBBSBSBBBSaSBSHBBHSBSBBBSBBBBBSBSSSBSBBBBB 

I „ARTIBUS" I 

i KORTE JANSSTRAAT 11 i 

a a 

a a 

a a 

ï MEUBELEN | 

a a 

1 SIERGLAS i 

a a 
a a 

1 LEDERWAREN 1 

a a 

a a 

a a 

a WIJ BRENGEN ZEER APARTE MODELLEN IN BILLIJKE B 

1 PRIJZEN | 

B B 

1 MODELKAMERS VRIJ TER BEZICHTIGING | 

B B 
SBHBBBBBBBBSHSSSBBSSHBBaBBBBBBBBBSlHjSSBBBBBBS 



Maar . . . daar is Lijn II en we stappen in om ons naar het 
einde van de vrij lange Biltstraat te laten trammen. De Bilt- 
straat was vroeger een met landhuizen geflankeerde buiten- 
weg; daarna werd zij een w o o n-straat, thans is zij bijna 
geheel reeds w i n k e 1-straat geworden. Winkelstraat en tevens 
verkeersweg, want het aantal personen-auto's, autobussen, 
vrachtwagens en trams, dat hier dagelijks passeert, is werkelijk 
enorm. Halfweg de Biltstraat de R. K. KERK VAN O. L. 
VROUWE TEN HEMELOPNEMING, een nieuw gebouw (1894), 
ter plaatse waar reeds sedert begin 1800 een kerk had gestaan. 

Fraai interieur, met stemmige verlichting door glasbeschilderde 
ramen. Ook hier hebben de Utrechtsche sierkunstenaars H. Geuer 
en W. O. Mengelberg, die reeds vele andere r. k. kerken in onze 
stad versierd hebben, het interieur met verschillende kunstwerken 
verrijkt. Er is goed beeldhouwwerk te zien aan den preekstoel 
en koorbank. 

Even voor wij aan het einde van de Biltstraat zijn, heeft 
de tram eenig oponthoud, doordat de boomen van den spoorweg- 
overgang — ik citeer hier den volksmond — „natuur- 
1 ij k net néér zijn, wanneer ie, zooals wij, haast hebt." 
Nu komt ons dit oponthoud, eerlijk gezegd, wel goed te stade, 
omdat ik nu gelegenheid heb U te kunnen wijzen, in de eerste 
plaats op het enorme complex gebouwen, dat achter een on- 
oogelijk ,, hoofdgebouw" aan de Biltstraat verborgen, de 
klinieken, laboratoria, collegezalen en stallen der VEEART- 
SENIJ KUNDIGE FACULTEIT DER RIJKS-UNIVERSITEIT 
herbergt. 

Uit den tijd van Koning Willem I dateert het besluit te Utrecht 
een Veeartsen ij school te vestigen en het oog viel toen 
op de oude buitenplaats Gildesteyn, waar destijds een katoen- 
drukkerij gevestigd was; het tegenwoordige ,, hoofdgebouw" was de 
fabriek. De wetenschappelijke opleiding der veeartsen liet in die eerste 
tijden veel te wenschen over, alhoewel de Utrechtsche veeartsenij- 
school, wat hare opleiding betrof, in geenen deele behoefde onder 
te doen voor andere zusterscholen in het buitenland. In 1851 werd 
de Veeartsenijschool gepromoveerd tot Rijks-veeartsenijschool; 
sedert 1872 hadden geregeld uitbreidingen en verbeteringen plaats 
en achter het sombere frontgebouw aan de Biltstraat verrees een 
geheel dorp van fleurige moderne gebouwen, waarvan het PATHO- 
LOGISCH INSTITUUT met zijn frisschen baksteengevel reeds tot aan 
de Biltstraat zelf is vooruitgedrongen. De opleiding der aanstaande 
veeartsen is in de laatste jaren geheel in streng wetenschappelijke 



81 



banen geleid en sedert 1925 is het, in 1918 tot Veeartsenijkundige 
H o o g e school verheven, instituut als zesde faculteit in de Rijks- 
Universiteit opgenomen. 

In de tweede plaats wilde ik U wijzen (de overweg-boomen 
zijn nog neer, want er passeert een goederentrein van 100 
assen) op het NEDERLANDSCH GASTHUIS VOOR OOG- 
LIJDERS, een rood-baksteenen gebouw aan het einde van de 
F. C. Dondersstraat, dat met zijn twee renaissance-torens in 
de verte denken doet aan het Amsterdamsche Rijksmuseum 
in verkleind formaat. Hier is het wetenschappelijk centrum 
der oogheelkunde, waaraan de naam van den beroemden 
oogarts Franciscus Cornelis Donders, die dit 
gasthuis stichtte (uit vrijwillige bijdragen; vandaar het op- 
schrift ,, Liefdadigheid de grondslag van 't Geheel") voor 
altijd verbonden zal blijven., 

In de Middeleeuwen en ook nog in de XVIe en XVIIe eeuw be-' 
rustte de beoefening der oogheelkunde in de handen van reizende 
marktschreeuwers en brillenmakers. Eerst in de XVIIIe eeuw werd 
in Frankrijk, later ook in Duitschland, wat meer aandacht aan de 
oogheelkunde geschonken; doch eerst de XI Xe eeuw zag deze 
wetenschap opbloeien en een hooge vlucht nemen. Het physiolo- 
gische deel der oogheelkunde is voornamelijk door Donders (1818 — 
1889) tot een groote mate van volkomenheid opgevoerd; naast 
Donders heeft ook zijn opvolger Prof. Dr. H. Snellen (1834 — 1908) 
door zijn letterproeven zich een wereld-naam verworven. 

De Dondersstraat geeft toegang tot een nieuwe stads- 
wijk, het ,, Zeeheldenkwartier" met in de Adm. van 
Gentstraat en in de v. Brakelstraat een complex woonhuizen met 
sousterrain-verdieping (arch. A. Kool en Ir. A. H. van Rood), waar- 
van vooral de stoeppartijen en de hekken langs de straat een gelukkige 
oplossing gevonden hebben. 

In de derde plaats zou ik [U willen wijzen op het STATION 
BILTSTRAAT, weliswaar niet meer dan 'n kleine halteplaats, 
maar voor vreemdelingen daarom van belang, omdat van 
hier (eigenlijk van het station Maliebaan, maar de meeste 
reizigers stappen aan het station Biltstraat in) de treintjes 
vertrekken naar Hilversum, waarvan in de zomermaanden 
veel gebruik gemaakt wordt voor uitstapjes naar de Hollandsche 
Rading enz. Het licht in de bedoeling m e 1 1 e r t i j d dit 
lijntje door de stad te laten vervallen en de spoorlijn Amster- 
dam — Hilversum — Utrecht in haar geheel te brengen naar 



82 



het nieuwe Centraalstation, waardoor de overweg-misère hier 
ter plaatse zal worden opgeheven. Maar de Utrechtsche wachter 
ziet al zoo lang uit naar een verwezenlijking der spoorweg- 
plannen, die al die kruisingen a niveau (bronnen van dage- 
lijksche ergernis) zullen doen verdwijnen en ... . nóg steeds 
blijft het nacht! 

En dan ten vierde - — van ,, nacht" gesproken — zou ik U 
willen opmerkzaam maken op het, vlak tegen het bebouwde 
Utrecht aanleunende FORT BILTSTRAAT. De spoorweg- 
gordel en de fortenlinie — het zijn de twee knellende banden, 
die Utrecht's vrije ademhaling belemmeren en Utrecht's ont- 
wikkeling op ongehoorde wijze tegenhouden. Wil men de 
jeugd aanschouwelijk voorstellen, wat een ,,sta-in-den-weg" 
is, men toone haar het fort-aan-de- Biltstraat. De Biltsche 
straatweg — de groote verkeersweg uit het oosten des lands 
— loopt öm de veelpuntige fortgracht heen (voor wielrijders 
is een afzonderlijk fietspad langs de andere zijde van het fort 
aangebracht) en Utrecht snakt er naar, dat deze gevaarlijke 
reuzenzwaai spoedig vervangen zal worden door een weg 
midden door het fort heen. Maar wanneer? 

De ,,f o r t e n-1 i n i e". 'n Enkel woord over dezen nagel aan Utrecht's 
doodkist. De stad Utrecht — denk eens, wat dit, voor Utrecht met 
haar prachtigen Domtoren, beteekent! - — ligt vlak achter de nieuwe 
Hollandsche Waterlinie; eigenlik maakt zij er deel van uit. In 
oorlogstijd strekt zich de waterlinie uit van Gorinchcm, over Viaren 
en Vreeswijk naar Utrecht en dan langs de Vecht naar de Zuiderzee. 
Bij een onderwaterzetting van dat deel van ons land zal echter 
de Houtensche vlakte met Utrecht, vooral daar, waar de rijksweg 
van de Grebbe naar Utrecht uitmondt in het fort aan de Biltstraat, 
vrijwel van water verschoond blijven. De forten om Utrecht, t.w. 
de vijf Lunetten op de Houtensche vlakte en de forten Rhijrauvxen, 
Hoofddijk, de Biltstraat, Voordorp, Blauwkapel en de Klop zullen nu 
dit zwakke punt moeten beschermen. Maar door dien gordel van 
vestingwerken met hun ,, verboden kringen" (oppervlakte gror.ds, 
waarop niet gebouwd mag worden) is elke uitbreiding der stad naar 
het oosten vrijwel onmogelijk — tenzij met een sprong over den 
verboden kring héén ■ — en wordt voor het moderne snel-verkcer 
de toegang tot de stad op een allergevaarlijkste wijze versperd. 

Daar gaan de overweg-boomen omhoog en de tram kan 
passeeren. Vóór echter — de spoorbaan over — de stadstram 
rechts afbuigt (de Zeistertram gaat rechtdoor), stappen wij 
uit en over de Museumbrug komen wij in het PARK HOOGE- 
LAND, het einde der beroemde Maliebaan. Links van de 



83 



Museumbrug ligt, terzijde van het gewoel der wereld, de R. K. 
BEGRAAFPLAATS; rechts, temidden van een f raaien plant- 
soenaanlegen prachtig oud geboomte het GEBOUW VAN HET 
STAATSBOSCH BEHEER, dat met zijn rustigen, voornamen, 
ietwat klassiek-breeden gevel reeds van uit de tram onze aan- 
dacht had getrokken. (Men lette op de groote zwerfblokken, 
ter weerszijden van den ingang van dit gebouw). 

Oorspronkelijk lag het park Hoogeland geheel buiten de 
stad en was het een particuliere buitenplaats; later is het landhuis 
vergroot en jarenlang is er toen het Stedelijk Museum van Oud- 
heden in gevestigd geweest. Het Staatsboschbeheer, van zijne op- 
richting af (in 1899) te Utrecht gevestigd, nam, toen de stedelijke 
verzamelingen naar het Centraal Museum aan de Agnietenstraat 
werden overgeplaatst, zijn intrek in dit gebouw en richtte daar 
toen tevens (1920) in: het MUSEUM VAN HET STAATSBOSCH- 
BEHEER. Op de eerste verdieping zijn de kantoren; de museum- 
zalen bevinden zich gelijkvloers. 

Het museum bevat thans 4 vertrekken en de hal. In de hal staan 
stamstukken en schijven der voornaamste houtsoorten van het 
Nederlandsche bosch; een groot bord met actueele foto's; voorts 
insectaria met levende insecten en foto's van plantenziekten, kijkjes 
in de staatsbosschen en -ontginningen. Het achter de hal gelegen 
museumvertrek heeft betrekking op de boschexploitatie 
(van de houtverkoling in Meiiers geven foto's en modellen een 
aanschouwelijke voorstelling) ; het volgend museumvertrek is gewijd 
aan de bodemkunde: platen, teekeningen, aquarellen, foto's, 
bodemprofielen enz. betrekking hebbende op de vorming van den 
Nederl. bodem; overzichtelijk gerangschikte collectie gesteenten en 
schelpen en nabootsing van een hunnebed; het grootste museum- 
vertrek herbergt de af deeling boschbescherming: op- 
gezette exemplaren van voor de boschcultuur min of meer belangrijke 
insecten, vogels en zoogdieren; fraaie groepen zoogdieren en 
vogels; schadelijke boomzwammen, een groot diorama van een 
duinlandschap met in het zeeduin levende vogels en planten. 
In het 4e museumvertrek kaarten en grafische voorstellingen, 
een beeld gevende van de uitbreiding van het domein van het 
Staatsboschbeheer en van de werkzaamheden van dezen tak van 
staatszorg; belangrijk een tweetal stereoscopen met foto's en de 
techniek van het ontginnen tot bosch en van de wijze van be- 
handelen van oudere bosschen. 

De toegang tot dit museum is kosteloos. Woensdag en Zaterdag 
van 10 — 4 en de eerste Zondag van iedere maand van 1 y 2 — 4 uur, 
bovendien ook tijdens de vacanties alle werkdagen (uitgezonderd 
Donderdags) van 1 y 2 — 4 uur. 

En nu zetten wij, vreemdeling, eens voor een oogenblik 
alle herinneringen aan musea en oude stadsgedeelten uit het 



84 



hoofd en gaan wij een wandeling maken door ,,MOOI- 
UTRECHT": de Utrechtsche parken, die, misschien meer nog 
dan ,,de vruchtbren schoot van klaygront", de ,,Boomgaert 
en prieelen" en de ,,heerenslooten en boschtooneelen" uit 
Vondel's tijd aanspraak mogen maken op den eerenaam: ,,een 
Paradijs vol weelde". 

Wij beginnen met de EMMALAAN; zij heeft haar flanken 
wel al fleurig getooid met guirlandes van groen en van bloemen, 
maar toch doen de hooge huizenrijen aan weerszijden er ons 
nog te veel aan denken, dat wij niet h e e 1 e m a a 1 ,, buiten" 
zijn. Het moet hier heerlijk wonen zijn, maar om te wande- 
1 e n moeten wij niet zoo nadrukkelijk, als het hier het geval 
is, herinnerd worden aan ,,de stad". Vóór wij ons dit echter 
realiseeren hebben wij, aangetrokken door geuren en kleuren, 
onze schreden onwillekeurig reeds gericht naar het ROSA- 
RIUM, Utrecht's wonderschoonen rozenhof. Ik hoop van 
harte, dat gij voor Uw bezoek aan Utrecht het juiste seizoen 
gekozen hebt: ,,als de rozen bloeien" en ik weet zeker, dat ik 
U dan het eerste uur hier niet vandaan krijg; want gij wilt 
natuurlijk al die verschillende soorten van rozen, die de ver- 
eeniging „Nos jungunt rosae" hier tot één geurende 
mooiheid tezamen bracht, ook één voor één gaan bewonderen 
en als gij daarmede klaar zijt, dan wilt gij toch ook nog een 
tijdje den wonderlieven indruk van het gehéél ondergaan en 
als gij U dan neerzet bij het aardige fonteintje, dat met zoo 
melodieus geluid zijn klare waterstralen als dartel metaal laat 
neerparelen in de koele waterkom, dan bevangt U op een- 
maal de schoone droom van zomerkleur en rozengeuren en 
stijgen herinneringen in ons omhoog aan subtiele muziek . . . 
aan droomstille verzen .... 

Hier sta ik in mijn bloemen, in mijn bloemen, 

mijn bloemenvolk, 
als in een wolk oranje en witte sterren, 
een wolk van gulden bloemelicht . . . 

Maar wij moeten verder. En als gij nu eens iets zien wilt 
van het nieuwe Utrecht, van het riante, dat Utrecht 
ook als woonstad biedt, volg dan de tramrails van 
Lijn II en gij kunt naar hartelust rondzwerven door de nieuwe 
wijk ,, achter Oudwijk", waar niet alleen een aantal gróóte 
bouwwerken de moeite waard zijn om te gaan bezichtigen 



85 



- het enorme R. K. ST. ANTONIUS-GASTHUIS (arch. M. 
Rietbergen) en het nieuwe DIACONESSENHUIS, (arch. J. 
W. Hanrath); aan het Wilhelminapark de EMMAKLINIEK 
(arch. H. J. Kolk en G. C. B. van Dijk) en even vóór het fort 
Vossegat de KROMHOUTKAZERNE (gebouwd door Post v. 
d. Steur) waar het regiment genietroepen gehuisvest is (Utrecht 
is wel geen militaire" stad, daarvoor hebben wij te veel 
last van de fortenlinie, maar de ,, mineurs" hebben toch altijd 
een streepje vóór bij de Utrechtsche burgerij) de fleurige 
SCHOOL AAN DE FRANS HALSSTRAAT van de Utrechtsche 
Schoolvereeniging (architecten Jhr. A. H. Op ten Noort en 
Ir. L. P. S. Scheffer) — maar waar ook een aantal specimina 
van MASSA- WONING BOUW en enkele particuliere woon- 
huizen U zullen verrassen als voorbeelden van uitstekende 
architectuur, waarbij zelfs het meest ongebruikelijke in con- 
structie en kleurgeving is toegepast (woonhuis aan de Prins 
Hendriklaan: arch. G. F. Rietveld). Neem bijv. de woningbouw 
voor het spoorwegpersoneel, de z.g. B.A.N.S. -woningen 
aan de Laan van Minsweerd, (arch. Jhr. A. H. Op ten 
Noort en Ir. L. P. S. Scheffer), de rustige, forsche monu- 
mentale bouwmassa, waardoor deze laan een zeer mooien 
straatwand heeft gekregen; wandel de Jan van Scorelstraat 
vanaf de Adr. van Ostadelaan in en gij zult ook hier weder 
zien, dat men niet alleen naar Amsterdam (waarop zich wel in 
hoofdzaak de belangstelling der bouwwereld schijnt te richten), 
behoeft te gaan om goede hedendaagsche Nederlandsche 
architectuur te vinden (ontwerper: J. van Laren); en wanneer 
gij dan uit de Jan van Scorelstraat komende, het pleintje aan 
de Hobbemastraat oversteekt, dan ziet ge ook aan het complex 
flatwoningen, langs de Rembrandtkade (arch. Jan en Theo 
Stuivinga) — let op de verbinding der zijgevels der beide blokken 
met den inkijk op het binnenterrein, — zeer goede qualiteiten. 
Aan de Rembrandtkade wordt deze serie flatwoningen afge- 
sloten door de nieuwe R. K. ST. ALOYSIUS-KERK, (architect 
H. W. Valk), met hooggekoepeld centraal kerkruim en veel- 
hoekigen ombouw. Aan de Mecklenburglaan een van de eerste 
moderne schoolgebouwen, die in Utrecht verrezen: werk van 
den zoo vroeg gestorven architect bij Gemeentewerken Ir. 
S. F. Loeb. 

Indien gij liever, na Uw bezoek aan het Rosarium, aan- 
stonds de park-wandeling wilt voortzetten, zijn wij, na eenige 



86 



schreden, al dadelijk in het WILHELMINAPARK. Ik, die 
de taak op mij genomen heb U op Uw rondwandeling door 
Utrecht tot gids te strekken, meen thans, nu ik U in dit plant- 
soen gebracht heb, mij wel van verdere explicaties te kunnen 
onthouden. ,,Mij spreekt de blomme 'n tale", heeft Gezelle 
gedicht en voor wie van de natuur houdt, spreekt dit park 
vele talen, die men het beste, elk voor zich, in stilte en 
eenzaamheid kan beluisteren. Dit is het domein van het on- 
gerepte, warme zonnelicht, dat boven de openheid van onzen 
grooten stadstuin, zijn gouden vreugde uitschalt en het is een 
sprookje, elke lente en eiken zomer weer opnieuw, zulk een 




Vijver in het Wilhelminapark. 

zonnigen, blij den tuin, na aan het hart der stad, vol bloemen te 
zien — vol bloemen en vol van wat door bloemen wordt aan- 
getrokken: vogels en jeugd! Waar men hier gaat of staat, 
het is overal even mooi en de fijnzinnige plantsoendienst der 
gemeente zorgt ervoor, dat door een rijke verscheidenheid 
van boomen, heestergewassen en bloemenperken in elk jaar- 
getijde zooveel mogelijk afwisseling gebracht wordt in de 
buitengewone mooie kleureffecten en lichtschakeeringen. De 
groote vijver, met zijn effen watervlak in een altijd groene 
omlijsting van bosschages en grasvelden gevat, vormt van dit 
park de schoone middenpartij en vanuit het nieuwe PAVIL- 
JOEN, (architect G. v. d. Gaast), dat met zijn speelsche vormen 



88 



en zijn groot rieten dak den landelijken indruk verhoogt, 
heeft men, onder welke belichting ook, een zeldzaam fraai 
uitzicht op den vijver en doorkijk door het park. De naam 
van den schepper van dit park, ,,den ouden heer H. Copijn" 
moge hier dankbaar worden herdacht. De aanleg van het 
Wilhelminapark is het werk van een kunstenaar geweest. 

Dit park is één en al natuur en indien men meent, dat de 
BURGEMEESTER DR. J. P. FOCKEMA ANDREiE BANK, 
(ontwerper Dr. Ir. G. W. van Heukelom) die hier in 1926 



een monument de eenheid en harmonie van het natuurschoon 
niet zou hebben gestoord. En het zou zeker niet in den geest 
van Burgemeester Fockema Andreae geweest zijn, indien 
z ij n monument van de schoonheid van dit park (,,het schocnst 
denkbare sieraad eener stad" heeft hij eens een mooi aan- 
gelegd plantsoen genoemd,) ook maar het minste teloor had 
doen gaan. 

In de onmiddellijke nabijheid van het Wilhelminapark ligt aan 
het vriendelijke Van Limburg Stirumplein het dorpsachtige En- 
gelsche kerkje, de HOLY TRINITY CHURCH met gebrandschil- 
derde vensters en in een particulier huis aan de Prinsenstraat 
(no. 23) de qualitatief zeer belangrijke STUDIEVERZAMELING 
DER SCHOOL VOORDE GRAFISCHE VAKKEN. (Te bezichtigen 
op aanvrage bij den Directeur der school, Jutphaasscheweg 4, of 
bij den Conservator Dr. N. G. van Huffel, Prinsenstraat 23.) 

De Burgemeester Reigerstraat brengt ons weer 
terug in de stad en zoodra wij den spoorweg-overgang over zijn, 




geplaatst is ter eere 
van het 12% jarig 
burgemeesterschap van 
den man, aan wien het 
jonge Utrecht zoo heel 
veel te danken heeft, 
voor een huldeblijk der 
burgerij ietwat te veel 
achteraf staat, dan be- 
denke men wel, dat 



het buitengewoon 



Dr. J. P. Fockema Andreae bank in het 
Wilhelminapark. 



moeilijk was, in deze 
omgeving van jongen 
plantsoen-aanleg een 
plekje te vinden, waar 



89 



staan wij in het midden van de MALIEBAAN. De Maliebaan is 
Utrecht's panache, de pluim op den hoed van de oude stad. 
De Maliebaan is jarenlang geweest het allerdeftigste, wat de 
Utrechter zich überhaupt denken kon; daar woonde in hooge, 
gesloten huizen zonder naambordjes, de chic; daar is het 
aartsbisschoppelijk paleis; daar wandelde men 's Zondags 
niet anders dan, zooals de kermisdeun het uitdrukte: ,, netjes 
aangedaan"; daar was het — sedert jaren verdwenen — ont- 
spanningsoord ,,Buitenlust", waar het zoo lustig buiten-zitten 
was en daar werden de parades gehouden met de muziek van 
de Genie voorop. In de laatste jaren heeft de Maliebaan wel 
een beetje van haar vroegere statige glorie ingeboet: de oude 
Utrechtsche geslachten wonen er haast niet meer en verschil- 
lende van die stille, voorname patriciërshuizen zijn thans 
kantoren geworden en zelfs winkels, maar toch heeft de Malie- 
baan nog iets zeer aparts, en als ,,laan", midden in het hartje 
van het stadsleven, heeft zij ongetwijfeld groote bekoring. 
Nog altijd heeft een rechtgeaard Utrechter zijn hart aan de 
duizend meter lange Maliebaan met haar zes rijen oude (en 
jonge) linden verpand, zeker niet het minst om de historische 
herinneringen, die aan deze eeuwenoude lindenlaan verbonden 
zijn. 

De Maliebaan dankt haar ontstaan aan de studenten. Toen Utrecht 
in 1636 een Academie had gekregen, moest er ook een recreatie- 
oord voor de studenten zijn en zooals men heden ten dage, om de 
baldadigheid der jeugd op straat tegen te gaan speeltuinen opricht, 
zoo ongeveer stel ik mij voor, heeft men in de XVIIe eeuw voor de 
studenten een ,,paille-maille-baan" aangelegd, waar de spes patriae 
zich kon vermaken met het destijds zeer geliefde kaats- of kolfspel. 
Een tegeltableau aan de voorpui van het Maliehuis aan den Malie- 
singel geeft een voorstelling, hoe de ,,Baan" er in vroeger tijden 
uitzag. In 1811 veranderde de Maliebaan van bestemming: andere 
tijden andere zeden: de studenten hadden andere ontspanningsmoge- 
lijkheden gekregen, het kolfspel was in onbruik geraakt en de baan 
werd tot openbare wandelplaats verdemocratiseerd. Keizer Napoleon 
heeft in de Maliebaan van 25000 man Fransche troepen de parade 
afgenomen; twee jaar nadien hebben de Russische kozakken 
er gebivakkeerd en de legende heeft om de Maliebaan ook haar 
sprookje gesponnen: 'n bankje in de Maliebaan zou de plaats zijn 
waar in 1713 de afgezanten van Spanje en Portugal het met elkaar 
eens werden over de vredesvoorwaarden tusschen beide landen 
en dus zou daar, op dat bankje, eigenlijk de vrede tusschen Spanje 
en Portugal gesloten zijn. Naar die juiste plaats, waar dit bankje 
gestaan zou hebben, wordt nog altijd naarstig gezocht . . . 



90 



Ge moet, vreemdeling, de Maliebaan maar niet zoo alleen 
van terzijde gezien hebben, gij moet haar ook althans voor 
een deel, bewandeld hebben en dus slaan wij op den 
hoek der Burgemeester Reigerstraat links om en kiezen den 
breeden middenweg aan beide zijden door een drietal- boomen- 
rijen geflankeerd, waaronder afzonderlijke wandel-, rijwiel- en 
ruiterpaden. Aan het einde van de Maliebaan, rustig onder 
het hooge geboomte en terzijde van den Maliesingel het 
bronzen BURGEMEESTER-REIGER-MONUMENT op rood- 
granieten zuil. 

,, Burgemeester Reiger" zooals de 




volksmond hem nog noemt, was Gronin- 
ger van geboorte (1845). In 1860 werd 
hij cadet te Breda en vier jaar later 
luitenant bij de artillerie. Door zijn 
huwelijk werd hij mededirecteur eener 
beetwortelsuikerfabriek te Utrecht. Van 
1871 af behoort Reiger aan Utrecht. 
Langs het raadslidmaatschap en het 
wethouderschap werd hij in 1891 burge- 
meester. Utrecht beleefde onder zijn 
krachtig bewind een tijdperk van groo- 
ten bloei en ontwikkeling. Tal van stra- 
ten in de binnenstad werden verbreed 
en parken in de buitenwijken aangelegd; 
een gemeentelijk slachthuis, een ge- 
meentelijke electrische centrale en een 
gemeentelijk grondbedrijf werden inge- 
steld. De Utrechtsche Universiteit, wier 
curator hij was, vereerde hem het doc- 
toraat honoris causa in de staatsweten- 
schappen. Hij overleed 31 Januari 1908. 
Het fraaie borstbeeld, dat Reiger weer- 



geeft zooals hij was: burgervader, maar 
Burgemeester vóór alles magistraat, werd ontwor- 

Reigermonument. pen door Toon Dupuis. 

Wij staan nu weder voor de singelgracht en volgen 
den Maliesingel tot aan de Heerenbrug, die wij overgaan, 
maar niet zonder eerst een blik geworpen te hebben op den 
plantsoenaanleg langs de voormalige stadsgracht. 

Wij volgen dan het pad langs het water beneden langs de 
oude wallen. Dichtbij de Nobelstraat geven een paar nog 
overeind gebleven brokstukken van de oude grachtwal de dikte 
en forschheid van de vroegere verdedigingswerken aan, die 
menigen aanval te verduren hebben gehad. Bij de Nobel- 
straat Jigt weer het fleurig plantsoen van het Lucas Bolwerk, 

91 



voor ons open met, te midden van bloembedden en gras- 
perken, een muziektent, waar des zomers middag- en avond- 
concerten worden gegeven, zooals dit op meer plaatsen in 
de stad (Hoogeland, Wilhelminapark, Oog in Al enz.) pleegt 
te geschieden. Aan de overzijde van den singel ligt het 
PARK TIVOLI, eenmaal ook als p a rk een geliefd ontspannings- 
oord voor de Utrechtsche jeugd, maar thans hoofdzakelijk 
nog in gebruik als concertzaal en sociëteit. In Tivoli concer- 
teert wekelijks gedurende de wintermaanden het Utrechtsch 
Stedelijk Orchest, dat onder leiding van Evert Cornelis 
zich in een uitstekenden roep mag verheugen en tot een der 
beste orkesten van ons land wordt gerekend. Aan de overzijde 
van de Nachtegaalstraat het gebouw van de KAMER VAN 
KOOPHANDEL EN FABRIEKEN; daarachter — ingang 
Schoolplein — de NIJVERHEIDSSCHOOL. 




De Singelgracht bij de Lucasbrug. 

Ter rechterzijde van de Witte vrouwenbrug begint met het 
LUCAS BOLWERK de heerlijke plantsoen -aanleg langs de sin- 
gelgrachten ter vervanging van de vestingmuren en bolwerken, 
die oudtijds de stad hebben omgeven. Aan één stuk door loopt 
deze plantsoen-aanleg van de Wittevrouwenbrug, langs het Ledig 
Erf tot aan de Willemsbrug. Deze herschepping van vestingwal 
in stadsplantsoen is het verdienstelijk werk geweest van den 
tuin-architect J. D. ZOCHER Jr. (1791- 1870), wiens naam aan 
den ,, uitleg" van menige eertijds ommuurde stad door de schitte- 
rende wijze, waarop hij parken wist aan te leggen, verbonden is 
gebleven. 



92 



En nu vraagt voor een oogenblik de oude binnenstad weder 
onze aandacht. Door de Nobelstraat loopen wij recht aan op 
het JANSKERKHOF. Door de zware kruinen der oude iepen 
zien wij reeds uit de verte de onregelmatige gothische silhouet 
der Janskerk, maar vóór wij het boom-beplante plein over- 
steken om de kerk wat meer van dichtbij te beschouwen, 
wandelen wij eerst even ons Utrechtsche Voorhout" rond, 
om in de eerste plaats de beide fraaie, echt Utrechtsche, d.w.z. 
ingetogen PATRICIËRSHUIZEN te bekijken, die recht tegen- 
over elkaar gelegen, aan het Janskerkhof het eigenaardige cachet 




Zeventiende eeuwsch patriciërshuis aan het Janskerkhof. 



geven vaneen stil en statig stadsplein onder hooge boomen. 
Het huis links (dus aan de zijde van het iets verder gelegen 
HOTEL DES PAYS BAS, dat in den F r a n s c h e n tijd het „hotel 
der Nederlanden" heette) is — helaas het lot van vele oude ge- 
bouwen in Utrecht — tot kantoren ingericht en de prachtige 
vestibule met pilasters, bogen en grisailles is thans voor een 
deel aan het oog onttrokken door ingebouwde loketinrichtingen 
en spreekkamertjes. Maar gelukkig is de oude XVIIe eeuwsche 
gevel nog bewaard gebleven, al maken de groote naamborden 
ter weerszijden van den ingang en onder de vensters het geheel 
niet fraaier. En evenzeer is het jammer, dat gedurende den gehee- 
len dag de breede eikenhouten voordeur openstaat, die, gesloten, 



93 



veel beter het fraaie beeldhouwwerk (een meesterstukje van 
XVIIIe eeuwsche schrijnwerkerskunst), tot zijn recht zcu doen 
komen. Oorspronkelijk moet zich de ingang bevonden hebben 
aan de zijde van de Drift (men wandele dit huis aan de Drift- 
zijde langs tot aan den Jansdam, waar zich nog een aardig 
traptorentje bevindt) en eerst later is de zwierige ingang aan 
het Janskerkhof gemaakt, die nog heden tot de schoonste 
details van deze hoofsche woning behoort. 

Het tweede patriciërshuis ligt aan de overzijde van het 
Janskerkhof en heeft — wij kunnen daarvoor den bewoner 
niet dankbaar genoeg zijn — uit- en inwendig (behoudens de 
spiegelramen) nog geheel het oorspronkelijke karakter behou- 
den. De stijl van deze breede rustige woning met zandsteenen 
middenbouw van pilasters en klassiek fronton en met de steenen 
bloem- en fruit-guirlandes onder de vensters herinnert sterk 
aan den stijl van den bouwmeester van het Amsterdamse he 
stadhuis Jacob van Campen, aan wien dit huis wordt toege- 
schreven. 

Het oude Sint Jansveld - — oudste en grootste der Utrechtsche 
kerkhoven" — was oorspronkelijk een open terrein, waarop in 
het midden een kerk stond; het Janskerkhof kreeg zijn tegenweor- 
digen vorm eerst later, toen ten behoeve der geestelijke heeren op 
het open erf rondom de kerk, huizen werden gebouwd. Vroeger liep 
er een Rijntak door het gebied van St. Jan, waarvan het armelijke 
slootje langs de studentensociëteit nog het roemloos restje is. Het 
Janskerkhof — oudtijds minder begraafplaats dan wel een met bco- 
men beplant kerkplein — is onder de pleinen van Utrecht altijd 
min of meer een stille in den lande geweest; indeXVe eeuw werden 
er schapen en varkens geweid, later verrezen er langs het Jans- 
kerkhof groote huizen, bewoond door de aanzienlijkste geslachten 
— in 1540 logeerde in één dier huizen Karei V bij zijn verblijf in 
Utrecht — en een historische rol heeft dit plein vervuld, doordat 
de Utrechtsche gilden er hunne bijeenkomsten (,,morgenspraecken") 
hielden; na 1838 nestelde er zich ook de Utrechtsche kermis. 

Wij vervolgen nu onze wandeling langs de ,, stille" zijde 
van het Janskerkhof; ,,stil", niettegenstaande daar de SOCIË- 
TEIT VAN HET UTRECHTSCHE STUDENTENCORPS ge- 
vestigd is, een voor het bestemde doel ietwat somber en zwaar 
gebouw, (,,het Gele Huis") waarvan wij echter gaarne aan- 
nemen, dat het desniettegenstaande, (zooals haar zinspreuk 
luidt) de Muzen vaak behaagt, daar met haar Muzenzonen, 
te rusten. In de hier op het Janskerkhof uitkomende 
Boothstraat heeft Nicolaas Beets in zijn na-Hilde- 



94 



brancischen tijd vele jaren als professor in de theologie 
gewoond, hetgeen een in zijn huis gemetselde steen nog aan- 
geeft. Wij steken nu het Janskerkhof, waar enkele dagen in 
de week bloemenmarkt gehouden wordt, dwars over om een 
bezoek te brengen aan het oude gebouw, dat nog steeds den 
naam van STATENKAMER draagt, alhoewel reeds sedert 
lang de Staten hun eigen Statenzaal hebben gekregen en de 
Staten-kamer verschillende instituten, musea en laboratoria 
der Rijks- Universiteit huisvesting verleent. 

Oorspronkelijk was dit gebouw — vreemdeling, kijk bid ik U, 
niet naar den leelijken witten voorbouw, die men op een onzalig 
oogenblik tusschen de Statenkamer en het gymnasium heeft neer- 
gepoot en die het heele Tanskerkhof aan deze zijde verleelijkt, — 
de kapittelzaal van het Minderbroedersklooster, in 1247 gesticht; 
doch reeds in 1579 werd die zaal aangewezen tot vergaderplaats, 
eerst van het college der ,, Nadere Unie", later van de Staten van 
Utrecht. Bizonder fraai is van dit gebouw de ingang: een hard- 
steenen stoep met zandsteenen poort (1643) waarboven het wapen 
der provincie: in den achtergevel aan de Hoogt een poortje uit 1640. 
Het oude kloostergebouw had slechts één verdieping; de tegen- 
woordige bovenste verdieping dateert dan ook uit veel later tijd. 

Voor de Statenkamer en het Stedelijk Gymnasium, dat spoedig 
wel door een ruimer zal worden vervangen, het DONDERS- 
MONUMENT, ontwerp van Toon Dupuis. (1921). 

Franciscus Corneüs Donders, de geniale oogarts en physioloog, 
werd 1818 te Tilburg geboren en studeerde van 1835 — 1840 te 
Utrecht, alwaar hij in 1848 tot buitengewoon hoogleeraar werd 
benoemd; in 1852 werd hij gewoon hoogleeraar en legde zich van 
toen af bijna uitsluitend op de oogheelkunde toe. In 1858 ontstond 
op zijn initiatief uit vrijwillige bijdragen het Gasthuis voor Oog- 
lijders aan de Dondersstraat alhier. Donders was een der grondleggers 
van de nieuwe oogheelkunde en genoot een even groote wereld- 
reputatie als een bewonderende aanhankelijkheid in de stad zijner 
inwoning. Hij stierf in 1889. 

En nu gaan wij de JANSKERK zelf bezien. Ook hier staan 
wij weder voor dezelfde moeilijkheid als met de Jacobikerk: 
er is zooveel aan dit kerkgebouw ver- en aangebouwd, dat wij 
zoo op het eerste gezicht, er niet heel goed raad mee weten. 
Daar hebben wij allereerst, vlak naast den ingang, een op zich- 
zelf wel typisch oud gebouwtje met een aardigen gevelsteen, 
waarbij wij ons echter wel eenigszins verwonderd afvragen, 
wat die krijgsattributen en zinspreuk ,,Concordia res parvae 
crescunt" nu eigenlijk te maken hebben met dit Huis des 



95 



Vredes. Maar wanneer ik dan doe het werk wat des gidses 
is en U inlicht, dat in den loop der tijden een kapel naast 
den ingang der kerk tot hoofdwacht van het garnizoen werd 
omgebouwd, dan hebben die oorlogsattributen al niets vreemds 
meer voor U. 

De Janskerk is mede een der vier romaansche kapittelkerken, die 
in de Xle eeuw, naar het plan van bisschop Bernulf, in kruisvorm 
rondom de Utrechtsche Domkerk werden gebouwd. Het ligt voor 
de hand, dat men zich de Janskerk aan den apostel Johannes gewijd 
voorstelt, doch daarin vergist men zich: deze kerk was gewijd aan 
Johannes den Dooper, wiens beeld men ook inderdaad teruggevonden 
heeft bij het verrichten van graafwerk in de XI Xe eeuw. 

Ook deze Utrechtsche kerk eischt, om als gebouw begrepen te 
worden, dat men er binnenga; het uitwendige — de westertoren is 
verloren gegaan — biedt weinig belangrijks. Maar inwendig heeft 
dit kerkgebouw toch nog wel verdiensten. Van de romaan- 
sche bouworde van deze pijlerbasiliek valt, door de herhaalde ver- 
bouwingen, in het middenschip en het achterschip, niet veel meer 
te bespeuren; het hooge laat-gothischekoor, dat het kleinere en lagere 
romaansche vervangen heeft, dateert uit 1539; na de Hervorming 
is de verdere ombouw tot een gothische kerk niet voortgezet; van- 
daar het eigenaardige contrast tusschen het rijke koor en het sobere 
zwaar gepijlerde ruim der kerk. Er is nog een kapittelkamer met 
fraaien houten schoorsteenmantel, rijk bewerkt plafond en goudleer 
behang. In het kerkinterieur twee graftomben: een ervan vertoont 
het levensgroote beeld van een proost der kerk, Dirck van Wassenaar 
(i 1465) in kerkelijk gewaad. In het noorderportaal een fragment 
van een gebrandschilderd kerkraam. 

Ook dit kerkgebouw heeft de ,, tuimelende ongestadigheit der 
menschelijke zaeken" gekend: in het Leycestersche tijdperk deed 
het dienst als kazerne en in den Napoleontischen tijd had er de 
gehate conscriptie plaats. Maar zooals voor elk mensch, die het 
goede betracht, een oogenblik van rehabilitatie komt, zoo is ook 
voor dit kerkgebouw de ure van herstel als Godshuis gekomen: 
de Ned. Herv. Gemeente houdt er thans nog geregeld hare godsdienst- 
oefeningen. 

De Lange Jansstraat, een te nauwe doorgang voor het 
drukke verkeer, brengt ons op de NEUDE. Maar de Neude zooals 
wij haar thans zien, na de verbreeding van de Potterstraat 
en den bouw van het Postkantoor, is voor menigen oud- 
Utrechter de „oude" Neude niet meer. De oude Neude met haar 
gemoedelijken pleinvorm. Qua pleinvorm misschien wel het 
mooiste plein van heel ons land: waar men stond, de huizenrijen 
vormden steeds een gesloten pleinwand, niettegenstaande er 
negen straten op uit kwamen. De daarbij passende lage huizen, 
waarvan enkele met typische geveltjes en luifels, gaven zoo geheel 



96 



Wendt U bij voorgenomen 
vestiging te Utrecht of 
Omstreken tot het 

CENTRAAL WONINGBUREAU 

BRECHEISEN & PIETERS, Makelaars 

JANSKERKHOF 24, TELEFOON 13900 
UTRECHT 

❖ 

BIJKANTOREN: 
0£ BILT: Waterweg 63, Telefoon 28063 
DRIEBERGEN: Oranjelaan 28, Tel. 815 

❖ 

Wij zijn in dit rayon 
uitstekend georiënteerd. 



WONINGGIDS GRATIS OP AANVRAAG 



O 



PRECHTE SCHOUTENSTEEGHSCHE 
UTRECHTSCHE THEERANDJES 

Firma Wed. J. W. BLANKERT 

SCHOUTENSTRAAT 



HOFLEVER ANCFER : 
H. M* de Koningin Moeder; wijlen Z. M. den 
Koning; Z*K.H. Prins Hendrik der Nederlanden 
en Z* K. H. van Saksen Weimar Eisennach. 

SENATUS VETERANORUM VENDITOR 



ZIE PAGINA 97 



' BLIKJES VAN 
f 1.25 en f 1.75 



TYPISCH OUD WINKELINTERIEUR 



weer het ouderwetsche stadsplein, waar het stadsgebeuren 
zich concentreerde, wanneer het ging om algemeene vreugde 
of algemeenen rouw. 

Op de Neude hebben zich heel wat stukjes Utrechtsche geschiedenis 
afgespeeld en menig hoofdstuk uit de stedelijke historie vond op 
de Neude zijn begin, zijn hoogtepunt of zijn slot. Het was de plek, 
waar de oudste markten (de graanmarkt) gehouden werden, waar 
in den riddertijd de tournooien plaats vonden, waar meermalen 
bloedig gevochten is, zoowel tegen binnengedrongen vijanden als 
tusschen burgers onderling; het was de plaats, waar bij hun joyeuze 
intrede de vorsten door de burgerij gehuldigd werden met eere- 
bogen en andere requisiten van destijdsch eerbetoon (een gevelsteen 
in een der huizen aan de Voorstraat geeft nog weer de gouden eere- 
poort, die in 1540 voor Karei V op de Neude werd opgericht). De 
Neude was ook de plaats waar een tijd lang de doodstraf werd ten 
uitvoer gebracht; op de Neude dankte Prins Maurits de waard- 
gelders af en op hetzelfde plein heeft Utrecht's dankbare burgerij 
gedanst om den uit Frankrijk geimporteerden Vrijheidsboom. Het 
was op de ,,Neu", dat ook de kozakken gebivakkeerd hebben en het 
was ook daar, dat de drukbezochte Utrechtsche kermissen haar 
beste dagen hebben gekend. Op de Neude werd op Bóeren-Zaterdag 
de dienstboden-markt gehouden: de boerenmeiden, die van dienst 
wilden wisselen, stelden zich aan de westzijde van de Neude op; 
ieder droeg een hengelmandje aan den arm en een takje in de hand; 
zoodra de huur gesloten was, werd het takje gebroken en klaar 
was Kee. En dan niet te vergeten de Theerandjes, die in de op 
de Neude uitkomende Schoutenstraat werden en nog worden ge- 
bakken; de oude winkel van den Dubbelden Arent" is een beziens- 
waardigheid op zichzelf en zonder een pakje Oprechte Utrechtsche 
Schoutensteechsche Tekantjes en Tafelcoeckgens" verliet geen 
vreemdeling in vroegere tijden de stad. 

En thans? De Neude heeft aan haar ééne zijde grootestads-allures 
aangenomen. De aardige geveltjes der oude Muntgebouwen zijn 
verdwenen en er is thans voor in de plaats gekomen een mooi, 
modern gebouw; maar de voor dit plein buitensporige hoogte en 
breedte van het Postgebouw, waardoor de eene pleinwand zich ver 
boven de tegenoverliggende verheft, zijn het evenwicht en vooral de 
knusse gemoedelijkheid en vertrouwelijkheid van dit oude plein 
op hinderlijke en opzichtige wijze komen verstoren. Met dit nieuwe 
postkantoor is voor onze Neude de groote Reparatie begonnen 
en wellicht zal ons nageslacht, wanneer ook aan de andere zijde van 
het plein de huizen tot meer verdiepingen zullen zijn opgevoerd, 
wederom van een harmonische Neude kunnen spreken. Wij, 
kinderen van dezen tijd, zullen ons moeten troosten met de 
gedachte: 

O het schijnt wel schoon te leven 
als de grenzen worden verwijd; 
maar het is geen geluk te komen 
op een kentering van den tijd . . . 



97 



Hal in het Post- en Telegraafkantoor aan de Neude. 

Het POST- EN TELEGRAAFGEBOUW (arch. J. Crouwel) 
manifesteert zich — vooral als men het van de Voorstraat 
nadert — als een groote zware massa met een geweldig dak- 
vlak. Het is, zoowel aan de voorzijde als aan den kant der 
Potterstraat, rustig, voornaam en karakteriseert zeer juist 
(zelfs zonder de leeuwen, die de burgerij betaald heeft, toen 
het Rijk uit bezuiniging het gebouw onvoltooid wilde laten) 
een openbaar gebouw. 

98 



Inwendig — bij het binnentreden schenke men aandacht aan het 
zware, donkere beeld, het postverkeer symboliseerend — ziet men, 
aan groote en kleine dingen, een afwerking, waarbij niets aan het 
toeval overgelaten is; alles is met gelijke zorg behandeld. Daar het 
moderne inzicht ten opzichte van een voor het publiek bestemd 
gebouw een groote mate van overzichtelijkheid vereischt, groepeeren 
zich de verschillende afdeelingen om een centrale, van boven verlichte 
hal. Bizonder fraai is deze hal en als gij, vreemdeling, prentbrief- 
kaarten te verzenden hebt, schrijf ze dan in de hal van het Post- 
kantoor, want ge kunt dan tevens genieten — ik houd ervan het 
nuttige zooveel mogelijk met het aangename te vereenigen — van 
de mooi gemetselde bogen en de kunstzinnig verzorgde wanden, 
met de zwarte strenge ornamenten tegen de gele metselmuren. 

Behalve het Postkantoor moet men op de Neude acht geven 
op het prachtige, volle gezicht op den Domtoren (is hij niet 
het geweten onzer stad, onverwachts doemt hij in zijn 
volle glorie voor ons op, zooals ons geweten soms ook op 
onverwachte oogenblikken in ons binnenste te spreken be- 
gint!) en op ... . een gevelsteentje in een huis op den hoek 
van Kintgenshaven, voorstellende een wieg, die op 
wilde golven aan land komt drijven. 

Men zegt, dat de Neude (Neude beteekent ,,laag land") vroeger 
een Rijnhaven is geweest en bij een watervloed zou op deze plek 
een wieg met een slapend kind erin, zijn komen aandobberen. De 
volksfantasie acht daarmede de afleiding van het woord Kintgens- 
haven meer dan bevredigend verklaard. 

Laat ons nu nog even een klein eind de Voorstraat inwan- 
delen, om het sierlijke renaissance-trapgeveltje te zien, 
dat daar niet alleen bewaard is gebleven, maar ook met groote 
piëteit — hulde aan den bewoner! — onderhouden wordt; 
het is het huis D'CONINCK VAN FOORTUGAEL: de houten 
onderpui, de omboogde venstertjes, de bewerkte consoles en 
friezen, de muurankers en de wapenschildjes, de luiken en het 
knusse deurtje, de in lood gevatte ruitjes, de stoep met zijn hard- 
steenen, gebeeldhouwde palen, het maakt alles een bizonder 
prettigen, weiverzorgden indruk. Prettiger dan de tegenover- 
liggende VLEESCHHAL, het oude Vleeschhuys, (men zegt, dat 
de schilder Paulus Moreelse den gevel ontworpen heeft) dat er 
weinig gesoigneerd uit ziet en toch met zijn baksteenen gevel, de 
bogen boven deuren en vensters, den topgevel, die het stadswa- 
pen voert, daar geen onaardig figuur zou behoeven te maken. 

De Vleeschhal komt met zijn achtergevel (evenals de in 1841 
gerestaureerde voorgevel uit het jaar 1637) uit op het J a n s v e 1 d, 



99 



waar men in de nabijheid aantreft het MARGARETHENHOF, een 
vroeger gasthuis voor ,,gaende en comende landloopers", thans 
een nog oud poortgebouw met elf vrijwoningen er achter. Het 
typische poortje, dat tot dit hof je toegang geeft, draagt het stichtings- 
jaartal 1361. Aan de overzijde der straat het bovenstuk van een 
gevel uit 1731 van het huis Gouden Rijder." 

Door de Potterstraat en Viestraat (bekende winkelstra- 
ten) komen wij op het VREDENBURG, het commercieele cen- 
trumvan de stad. Het is een plein met een wonderlijk verleden: 
het heeft stille kloosterbroeders gediend tot plaats van wijding 
en belijding; zijn grond is diep om-woeld geworden voor de 
breede fundamenten van een sterk kasteel, naar welken burcht 
van Spaansche tyrannie het oorspronkelijke „Catharijne-velt" 
voortaan het „Vredenburg" zou heeten; en van de oudste 
tijden af heeft de handel er bij voorkeur verwijld en heeft 
deze er haar marktcentrum gehad, tot eindelijk een der aller- 
modernste vormen van het handelsverkeer, het Jaarbeurs- 
instituut, er zijn vaste woon koos. 

Nadat de wereldlijke macht der Utrechtsche bisschoppen over- 
gegaan was in handen van Keizer Karei V, wilde deze ter beteugeling 
der opstandig-gezinde Utrechtsche burgerij midden in de stad een 
citadel bouwen en koos daartoe het ,, Catharijne-velt", waarop zich 
het Catharijne-klooster bevond. Hij deed de kloosterlingen, de Ridders 
van St. Jan van Jeruzalem, verhuizen naar een klooster aan de 
Lange Nieuwstraat (de kruisgang van dit Catharijne- convent hebben 
wij reeds bezocht) en slechtte de kloostergebouwen ter plaatse, 
waar hij zich zijn kasteel had gedacht. Bouwmeester van deze 
geducht-sterke vesting-in-een-vesting werd Rombout Keldermans, een 
zoon uit het beroemde Mechelsche architecten-geslacht. De bouw 
ving aan in 1528 en voor de opmetseling der meters-dikke muren 
werden de steenen gebruikt, afkomstig van het op last des keizers 
afgebroken kasteel Vreeland aan de Vecht; na afbraak van het 
kasteel Vredenburg werd — zonderlinge speling van het lot — 
dezelfde steen weder gebruikt voor den wederopbouw van een" ander 
kasteel in de Vechtstreek, n.1. het slot Sypestein bij Loosdrecht. 
Den naam ,, Vrede" -burcht dankte de sterkte aan den vrede, dien 
Karei V te Gorinchem met de Gelderschen had gesloten. Een Latijn- 
sche poort-inscriptie verkondigde den volke, dat dit kasteel ,,een 
lieflijk toevluchtsoord voor de goeden" bedoelde te zijn, maar 
tevens ,,een ijzeren roede voor de boozen." 

Nog geen halve eeuw heeft het kasteel Vredenburg het uitgehouden; 
de Utrechtsche burgerij had een hekel aan deze constante be- 
dreiging en begon op 21 December 1576 vanuit de omliggende straten 
en van de omliggende torens en daken af een formeele belegering 
van het Spaansche nest; over en weer werd flink met geschutvuur 
gewerkt, tot begin Februari 1577 de Spanjaard capituleerde; met 



100 



stille trom, doch gewapend verliet de bezetting het kasteel. „God 
zij geloofd, die ons verlost heeft uit den klauw van den leeuw", 
schreef de Utrechtsche stadssecretaris dien dag in 's Raads dage- 
lijks-boek. De burgerij begon aanstonds het kasteel omver te halen, 
waarbij de Utrechtsche vrouwen onder leiding van ,,de Hopmans- 
vrouw van Utrecht", Catharina van Leemput een vaardig handje 
geholpen schijnen te hebben. Op een paar brokstukken na ging het 
heele Spaansche bolwerk tegen den grond; later heeft er de eerste 
Utrechtsche gasfabriek gestaan; in een van de onderaardsche ge- 
welven is langen tijd nog een kroeg gevestigd geweest; bij den bouw 
van het Jaarbeursgebouw in 1919 zijn de laatste muurbrokken 
met dynamiet verwijderd. 

De Franschen hebben in 1673 plan gehad op de plaats van het 
verdwenen kasteel Vredenburg een nieuw kasteel te bouwen; de 
Hertog van Luxemburg heeft er zelfs een eersten steen gelegd met 
het wapen erop van den Zonnekoning. Bij gebrek aan bouwmate- 
rialen bleef het werk heel in den aanvang steken. 

Commercieel middelpunt der stad Utrecht was het Vreden- 
burg eeuwen en eeuwen achtereen, inzonderheid door de groote 
markten, vooral de vee- en paardenmarkten, die 
op dit plein* gehouden werden, al van vóór den tijd, dat het 
kasteel Vredenburg er stond. De Utrechtsche paardenmarkten 
hebben steeds een buitengewone bekendheid gehad, in binnen- 
en buitenland, en de Palmpaardenmarkten (op den Maandag 
vóór Paschen, voorafgegaan door den traditioneelen Palm- 
zondag in de Bildt) waren voor stad en omgeving al vanouds 
een evenement. 

De beteekenis der Utrechtsche paarden- en veemarkten blijkt 
uit volgende cijfers over het jaar 1926: 
ter markt aangevoerde paarden 11841 
runderen 35153 
kalveren, schapen en lammeren 50713 
varkens en biggen 50606 

Toen de graanhandel zich begon te ontwikkelen, concentreerde 
de gemeente dezen handel, evenals den fruithandel en andere 
takken van het marktwezen op het Vredenburg, door aldaar 
twee markthallen te bouwen, de Fruithal en de Handelsbeurs, 
waarvan eerstgenoemde ten offer viel aan den bouw van het 
Jaarbeursgebouw en de Handelsbeurs, nadat voor den graan- 
handel een nieuw beursgebouw aan de Mariaplaats beschik- 
baar was gesteld, als expositie-ruimte bij de Jaarbeurs werd inge- 
lijfd. Na den oorlog kreeg het Vredenburg een geheel ander 
aanzien door den bouw (1921) van het JAARBEURSGEBOUW 
(bouwmeester Ir. J. de Bie Leuveling Tjeenk). 



101 



Jaarbeursgebouw op het Vredenburg tijdens een jaarbeurs. 



De Nederlandsche Jaarbeurs dankt haar ontstaan aan Utrechtsch 
initiatief tijdens den Wereldoorlog. De eerste jaarbeurs werd ge- 
houden in het voorjaar 1917; na eenige jaren provisorisch gehuis- 
vest te zijn geweest in tijdelijke houten gebouwtjes, over verschillende 
pleinen der stad verspreid, kreeg het Jaarbeursinstituut voor zijn 
tweemaal per jaar plaats vindende beurzen (voorjaars- en najaars- 
beurs) een eigen gebouw, waarvan de eerste steen (bij den ingang) 
gelegd werd door H. K. H. Prinses Juliana. In de hal van het ge- 
bouw het bronzen borstbeeld van wijlen Mr. Dr. W. A. van Zijst, 
den eersten voorzitter van de Nederlandsche Jaarbeurs, aan wiens 
krachtig initiatief dit gebouw zijn ontstaan dankt. In de beneden- 
lokalen van het gebouw is de Stichtsche Industrieele Club gevestigd. 

Het Vredenburg is een beeld van Utrecht-in-wording. Nog 
is het een ouderwetsch marktplein en tijdens de markten komen 
op het plein zelf en in de omliggende straten met 
druk stadsverkeer, toestanden voor, die in een groote stad 
onhoudbaar zijn. Maar binnenkort zullen de markten verplaatst 
worden naar de nieuwe marktterreinen aan de Croeselaan 
en dan zal het Vredenburg worden, waartoe het uit den aard 
zijner ligging méér en méér bestemd blijkt te zijn: een ruim 



102 



door groote magazijnen en restaurants omgeven stads-plein, 
waarop verschillende wegen van buiten de stad en hoofd- 
verkeers-aders van binnenstadsch verkeer tezamen komen. 
De bebouwing rondom het Vredenburg is zich al aan de 
nieuwe taak, welke dit plein te vervullen zal hebben, aan het 
aanpassen; nieuwe winkelhuizen, groote hotels en restaurants 
steken reeds hun hoogere gevels uit boven den meer en meer 
verdwijnenden klein-bouw uitvroegeren tijd en wanneer binnen- 
kort ook de oude, aftandsche STADS-SCHOUWBURG zal 
verdwijnen — wie daarvan zwijgt, het beste zeit — en voor 
de afsluiting van dezen pleinwand een passende oplossing ge- 
vonden zal zijn, aansluitende bij de plannen om in het ver- 
lengde van het bestaande Jaarbeursgebouw een tweede Jaar- 
beursgebouw op te richten, — dan zal het overgangstijdperk 
van servet tot tafellaken voor ons Utrechtsche Vredenburg 
niet overmatig lang behoeven te duren en zal, in zijn nieuwe 
functie, dit plein met zijn fraaie afmetingen in de toekomst 
der stad zeker géén minder belangrijke rol spelen dan het 
Vredenburg vervuld heeft in den tijd, toen ,,onze mops nog 

een mopsje", m.a.w. toen Utrecht nog 'n provinciestadje was 

En nu over de dubbele CATHARIJNEBRUG terug naar 
het station. Want onze wandeling door Utrecht, vreemdeling, 
loopt ten einde. Hebben wij alles thans van Utrecht gezien? 
Weten wij alles van Utrecht's verleden, heden, van Utrecht's 
toekomst vooral? In lange na niet. En ten bewijze daarvan 
— en tevens om U duidelijk te maken, dat U nog eens een dag 
terug moet komen — laat ik even 'n taxi komen en rijden 
wij nog 'n half-uurtje door dê nieuwe stadsgedeelten in den 
omtrek van den AMSTERDAMSCHEN STRAATWEG (het 
Ondiep), van den LEIDSCHEN WEG en van het MERWEDE- 
KANAAL. 

Naar den kant van den Amsterdamschen Straatweg ligt het 
INDUSTRIEELE UTRECHT, dat zich daar alvast van een 
gedeelte der gemeente Zuilen heeft meester gemaakt, in afwach- 
ting van de verwerkelijking der annexatieplannen. Wij vinden in 
dit noord-west-gedeelte der stad de verschillende groote fa- 
briekscomplexen aan het Merwedekanaal en langs de spoor- 
lijnen naar Amsterdam en Rotterdam (den Haag) de gemeente- 
lijke industrieterreinen met hunne aan het groote net aan- 
sluitende sporen en een haven met een kadelengte van duizend 
meter. 



103 



Verschillende groot-industrieën hebben zich in de laatste kwart- 
eeuw langs het Merwedekanaal gevestigd, zooals de N e d. Staal- 
fabriek v/h. J. M. de Muinck Keizer, de Wagonfabriek 
van Werkspoor, Utr. Asphalt.fabriek v/h fa Stein 
en Takken, een filiaal van de Renault Automobielen, 
de Utrechtsche Walswerken van de Erven E. A. 
Hamburger, de M e t a a 1 d r a a d 1 a m p e n f a b r i ek Hol- 
land. En temidden van dit industrie-complex ligt de nieuwe elec- 
trische centrale van het PROV. EN GEM. UTRECHTSCH 
STROOMLEVERINGSBEDRIJF (P.E.G.U.S.) welke centrale van 
buitengewone capaciteit zoowel aan de Gemeente als aan de Pro- 
vincie stroom levert. 

Bij den fabrieksbouw sluit zich, als natuurlijken factor, aan 
de arbeiders-woningbouw en de midden- 
standswoningbouw in deze volkrijke buurt. Op tal 
van welgeslaagde tuin-dorpen, waarbij veelal op gelukkige 
wijze zorg gedragen is voor behoorlijke en bekoorlijke stads- 
beelden en straat-doorkijkjes, zou hier gewezen kunnen worden 
(E 1 i n c k w ij k, gebouwd door de arch. Muller en Posthumus 
Meyes, de woning-blokken a/d M a r n i x 1 a a n, 
ontworpen door de arch. Gulden en Geldmaker, de Ge- 
meentelijke Woningbouw aan het Ondiep) en wie 
deze straten-reeksen doorwandelt, zal ongetwijfeld den indruk 
medenemen,dat op het gebied van den volkswoningbouw Utrecht 
gerust gesteld mag worden naast de andere groote steden 
van ons land. 

In het bizonder is Utrecht in dit nieuwe stadsgedeelte (grooten- 
deels is het eigenlijk de gemeente Zuilen) gelukkig geweest met hare 
openbare gebouwen. Zoo — één der eerste -kerken in deze omgeving 
— de ger. kerk aan de Royaards van den Hamkade 
met steil en hoog dak van roode pannen (arch. D. J. Heusinkveld) ; 
de protest. Oranje-kerk tegenover het Kolspark aan 
den Amsterdamschen Straatweg hoek Cornelis Mertens- 
straat (arch. Prof. Dr. D. F. Slothouwer); tegenover Elinckwijk aan 
den Amsterdamschen Straatweg de R. K. St. Ludgeruskerk 
met zijn gemetselde torenspits (arch. W. te Riele) en het Gebouw 
van de Hersteld Apostolische Gemeente aan 
de Werner Helmichstraat (gebouwd door N.V. Aannemersbedrijf 
Tiemstra en Zonen). Even interessant als deze kerkgebouwen zijnde 
verschillende schoolgebouwen voor het lager onderwijs als de Open- 
bare school a a n de Laan van Chartreuse met 
haar rieten dak, vriendelijk aansluitend aan de landelijke omgeving 
van het tot park voorbestemde Chartroise; de N e d. H e r v. Ge- 
meente School aan de Thorbeckelaan, evenals 
de vorige, ontworpen door Ir. J. I. Planjer en de Openbare 
School aan de Mariëndaalstraat (arch. F. S. Loeb) . 



104 



School aan de Laan van Chartreuse. 

Aardig doet in deze omgeving het als een fortresje op den hoek 
Thorbeckelaan-Boerhaavelaan oprijzend Badhuis (arch. P. J. 
Houtzagers) en het keurig-gesoigneerde Wijkgebouwtje van 
den Gemeentel ij ken Geneeskundigen Dienst 
aan het van Beuningenplein. In de silhouet der stad neemt de fraaie 
Watertoren van de Utrechtsche Waterleiding Mij. aan den 
Amsterdamschen Straatweg (arch. W. K. de Wijs) een eigen plaats in. 

Aan den Amsterdamschen straatweg bevindt zich ook de G e- 
meentelijke Slachtplaats en aan de Mariëndaal- 
straat deRijks Landbouw Winterschool. 

Temidden van deze nieuwe huizenstad is al vroegtijdig een 
brokske natuur uitgespaard in den vorm van het KOLSPARK, 
eene schenking der familie Kol: het aardig aangelegde park 
met zijn vijvers en vooral met zijn goed onderhouden herten- 
kamp is voor deze omgeving een groot aantrekkingspunt. 
Binnenkort zal meer naar de zijde van de Vecht een tweede 
ontspanningsoord verrijzen; het ligt n.1. in de bedoeling van 
het Gemeentebestuur de oude ruïne van het poortgebouw van 
het klooster CHARTROISE te restaureeren en de aardige 
omgeving daar te maken tot een genoeglijk ontspanningsoord, 
waar dan ook de watersport op de Vecht mede van kan profi- 
teeren. 

Karthuizer monniken — de naam Karthuizers stamt af van 
Chartreuse, het oord waar in 1084 de H. Bruno van Keulen aan 
de orde het aanschijn gaf — bouwden in 1393 op het landgoed 
Bloemendael aan de Vecht een klooster, dat zij ,,ten Nijen Lichte" 
heetten. In de XVe eeuw bestond er in dit klooster een atelier, 
waar kunstvaardige monniken zich wijdden aan de versiering van 
handschriften; een kostbaar product uit deze Utrechtsche kunste- 
naarswerkplaats, een Nederlandsche Bijbel in twee groote folianten, 
berust op de Kon. Bibl. te 's Gravenhage. Een overblijfsel van den 



105 



Kloosterhof vindt men nog in de breede laan met dubbele boomenrij, 
die van het poortgebouw naar de Vecht loopt. In 1580 werd het 
klooster afgebroken; alleen het in den loop der eeuwen zeer verwaar- 
loosde poortgebouw is blijven staan. Jarenlang is er in de XlXe 
eeuw een ontspanningsoord gevestigd geweest, bekend om zijn Mun- 
nikenboom, waar, volgens de Utrechtsche legende, de kindertjes 
vandaan kwamen. 

Het laatste stadsgedeelte, dat wij nog even een vluchtig 
bezoek willen brengen, bereiken wij via de nieuwe Smakke- 
laarsbrug langs den Leidschen Weg. Wanneer wij dezen 
weg zien, hoe hij moeizaam onder den spoorbaan dóór duikt en 
verder schichtig wegkruipt langs het open vaarwater van den 
Leidschen Rijn, dan vermoedt men als vreemdeling niet, hier 
te doen te hebben met een van de belangrijkste toegangswegen 
tot de stad. Alles wat van Rotterdam, Den Haag en Leiden 
naar of dóór Utrecht wil, moet langs dezen pas. Maar ook 
hier — het dient er aanstonds aan toegevoegd — zijn allerlei 
plannen tot verbetering in de maak en zoodra achter de artillerie 
kazernes aan de Croeselaan de nieuwe MARKTTERREINEN 
aangelegd met moderne marktgebouwen verrezen zullen zijn 
en heel de drukte der vee- en paardenmarkten en ook van de 
GROENTEN- en VRUCHTEN-VEILING zich naar dit stadsdeel 
zal hebben verplaatst, zal vanzelf ook deze geweldige verkeers- 
moeilijkheid wel tot een oplossing worden gebracht. Het ge- 
deelte stad, dat zich aan de zijde van den Leidschen Rijn en 
het Merwedekanaal snel aan het ontwikkelen is, is zeer zeker 
een bezoek waard; ook hier goede specimina van massa- 
woningbouw (o.a. van het Departement Utrecht van de Mij. 
tot Nut van het Algemeen aan de Kanaalstraat, arch. G. C. 
B. van Dijk, H. J. Kolk, J. v. d. Lip en C. J. de Haas) het fraaie 
R. K. kerkgebouw der ST. ANTONIUSKERK (arch. J. Stuyt) 
eveneens aan de Kanaalstraat hoek Abel Tasmanstraat. 

Gaat men aan het einde van de, met boomen joyeus beplante 
Kanaalstraat, den Ouden Rijn over, dan heeft men in dit nieuwe 
stadsgedeelte een modern schoolgebouw van de Ned. Herv. Gemeente 
en een, als hoekafsluiting verdienstelijken afdeelingspost der Ge- 
meente Reiniging. In het daaraan grenzend stadskwartier aan de 
overzijde der Vleutensche Wetering de R. K. ST. FRANCISCUS- 
SCHOOL en de R. K.KERK VAN O. L. VROUWE VAN GOEDEN 
RAAD (arch. Duynstee). 

Aan de Merwedekade, daar waar de Oude Rijn in het 



106 



Merwedekanaal uitmondt, het bootenhuis der Utr. Roei- en 
Zeilvereeniging ,,V i k i n g". 

Utrecht is zeer gunstig gelegen voor de beoefening der water- 
sport: het Merwedekanaal, de Vaartsche Rijn, De Kromme Rijn, 
de Oude Rijn, de Hollandsche IJssel, de Vecht, de Lek en de Loos- 
drechtsche plassen zijn van Utrecht uit gemakkelijk bereikbaar. De 
sluizen en vele bruggen, wier ,,sluitings"-uren niet altijd rekening 
houden met de wenschen der watersport, zijn tot nog toe een ernstige 
belemmering geweest voor den opbloei van Utrecht als middelpunt 
van watersport en watertourisme. 

Waar de LeidscheRijn en het Merwedekanaal elkaar kruisen, 
ligt het monumentale GEBOUW VAN 'S RIJKS MUNT, 
(arch. C. H. Peters). 

's Rijks Munt is te Utrecht gevestigd. Hier worden geslagen alle 
munten van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen; maar 
ook voor rekening van anderen kan in dit staatsbedrijf gemunt 
worden en kunnen er medailles worden geslagen en muntstempels 
of medaillestempels worden vervaardigd. Het bestuur van 's Rijks 
Munt is opgedragen aan een Muntmeester. Het gebouw heeft een 
paar feestelijk met wapens en beeldjes versierde poortjes; boven 
één ervan staat het volgende gulden-rijmpje: 

,,Het geld hier uit metaal verkregen 
Zij nooit ten vloek doch steeds ten zegen." 
de Génestet had wèl gelijk: poëzie — èn geld — schuilt overal; 
het is de vraag maar, wie ze al, wie ze niet kan vinden. 

Vroeger was de Munt voor bezoekers op een bepaalden dag in 
de week te bezichtigen, tegenwoordig helaas niet meer. 

En wanneer wij dan de breede draaibrug over het Merwede- 
kanaal overgaan en genieten van het fraaie gezicht over het 
kanaal met zijn sluizen (waar in 1926 102776 vaartuigen 
met een totaal inhoud van bijna 20 m i 1 1 i o e n ton geschut 
werden) en met zijn reeksen van stoombooten en Keulsche aken, 
die hier onophoudelijk het verkeer te land stremmen, zoodat 
een vaste brug over het Merwedekanaal tot een der drin- 
gendste wenschen van Utrecht behoort, dan lokt ons aan den 
overkant reeds de lommerrijke LEIDSCHE RIJN met aan zijn 
oever het fraaie, thans als gemeentebezit ten bate der gemeen- 
schap als restaurant opengestelde landgoed ,,OOG IN AL," 
een bezitting uit de XVIIe eeuw, aangelegd door den zonder- 
lingen fantast Everard Meyster. Daaromheen is thans een 
prachtig openbaar park aangelegd, dat met de nieuwe woning- 
wijk der Bouwvereeniging ,,Uit en Thuis" (arch. L. C. J. 



107 



Klaarhamer) de inleiding vormt tot een toekomstig stadsge- 
deelte, waar het, evenmin als in andere deelen van Utrecht, 
aan stedenschoon en natuurschoon zal ontbreken. 

En nu, vreemdeling, breng ik U terug naar het station. 
Maar wij nemen hier, aan den oever van het Merwedekanaal, 
van elkander afscheid. Want van hieruit wil ik U nog eenmaal 
de stad Utrecht wijzen: hier, aan de buitenzijde, de nieuwe 
stad, met ginds de groote industrieën, de moderne bouw- 
complexen, scheppingen van jonge geesten, streven naar een 
fleurig leven temidden van brokken verzorgd natuurschoon; 
en dan aan de overzijde van het Merwedekanaal, de breede 
oude stad, met den parelgrijzen Domtoren, zoo luchtig, zoo fijn, 
zoo sierlijk; in alles symbool van geestelijk, wetenschappe- 
lijk leven en van traditie. En naast den geestelijken Dom het 
stoere gebouw der Nederlandsche Spoorwegen, de andere pool 
van het Utrechtsche leven, de pool van den arbeid van de 
techniek en van .... de toekomst. Herinner U, vreemdeling, 
hoe Utrecht het oude heeft weten te bewaren in zijn verweerde 
gebouwen, in de nauwe straten zijner binnenstad, in de diepte 
van de Utrechtsche volksziel; maar herinner U dan tevens wat 
het jonge Utrecht gebracht heeft aan nieuwe kunst, aan nieuwe 
stroomingen op wetenschappelijk, geestelijk en sociaal gebied; 
herinner U, wat hier op menig gebied leeft en gist en op 
ontwaken wacht. Een oude stad moogt ge Utrecht noemen; 
ik zal U dat nooit ofte nimmer euvel duiden; Utrecht heeft 
een eerbiedwaardig verleden en is op dat verleden trotsch; 
maar vergeet daarbij dit ééne dan ook niet: Jon g-U t r e c h t 
droomt in dat verleden niet weg; het houdt tred met den 
nieuwen tijd, het staat open, naar alle richtingen, voor den 
roep van den nieuwen Dag. En dat is wel, voor wie als vreemde- 
ling Utrecht bezoekt, ten slotte misschien de groote charme 
van onze stad: dat zij is oud en modern tegelijk, dat men er 
naast de traditie van het verleden voelt den sterken hartslag 
van het wordende; dat men er liefde leert koesteren voor het 
oude, maar tevens geboeid wordt door de Metamorphose, door 
de Ontwikkeling, door den Vooruitgang. Zóó, vreemdeling, 
als een levende stad, zou ik wenschen Utrecht in Uw 
herinnering te zien voortleven! 



108 



DE IOMGE VING VAN UTRECHT. 



De stad Utrecht, vreemdeling, heb ik U, vluchtig en 
haastig, laten zien; voor de omgeving moet ge minstens een 
paar dagen nemen. Want de zeldzame bekoring van het 
Stichtsche landschap moet met langzame teugen gesavou- 
reerd worden. Neem voor Uw uitstapjes de stad Utree ht 
zelf tot uitgangspunt; ga vooral veel wande- 
len. Langs de groote wegen, waar ge overal met een auto 
komen kunt, vindt ge het voyante: de mooie villa's, de groote 
buitenplaatsen, de achter hoog geboomte verscholen oude 
kasteelen; ge vindt, langs de groote wegen, óók de uitgestrekte 
bosch-complexen en het wijdglooiende heidelandschap en in 
het noorden de zon-beglinsterde plassen en het wuiven van 
het ranke riet . Maar het intiemere schoon, de rustige plekjes, 
de mooie vergezichten, het eenzame van het heidelandschap, 
de koele vijvers in het bosch, de geheimzinnige paadjes, waar 
zoo zacht de voetstap donst in het mos — dat alles ligt ter 
zijde van de groote wegen en dat vindt men alleen door de 
rijwielpaden te volgen en de wandelwegen. Wees niet bang 
voor verdwalen; overal staan wegwijzers en in een zöö klein 
gehucht kunt ge niet terechtkomen of een autobus brengt U 
wel weer in de bewoonde wereld. 

Wat het móóie eigenlijk is van de omgeving van Utrecht? 
De natuur en de historie. Heel ons goede land en alles wat 
de vreemdeling in Holland komt zoeken, is hier in de omgeving 
van Utrecht; bosch en hei en weiden en de heerlijke eenzame 
water-eenzaamheden onder hooge wolkenluchten; rood-gedaak- 
te dorpen met hun vertrouwelijke silhouet van spitse torens en 
mal gebarende molens; de zandhoek met zijn heuvels en met 
zijn duinen van zilverwit zand. De schaduw-belommerde 
Vecht en het echte Hollandsche waterlandschap langs Holland- 
schen IJssel en Vaartschen- en Krommen Rijn: het land van 
de weteringen en de weiden, opener, klaarder en lichter van 
kleur. Wil men kleederdrachten en curieuze dorpen: Eemnes 
en Spakenburg en Bunschoten zijn in een uitstapje van Utrecht 



109 



uit gemakkelijk op te nemen. En naast de natuur in haar 
rijke verscheidenheid: 'n eeuwen-oude historie: in het 
zuid-oosten der provincie de feestelijke stoet middel- 
eeuwsche kasteelen: 

Neerlangbroek 
Die schrale hoek 
Daar wonen niets dan edellui .... 
En bedellui; 
Ridders 

En broodbidders 
Daar zijn niets dan kasteelen en nesten 
Sterkenburg is het beste. 

en in het noord-oosten de oude buitenverblijven, waar in den 
,, Menisten-hemel' ' aan de Vecht de Amsterdamsche koop- 
lieden hun door den handel verkregen schatten stapelden; 
de bijna vorstelijke woningen, met hare monumentale, door 
groote vazen geflankeerde, poorten; de hekken van kunstig 
gesmeed ijzer, de hooge hardsteenen stoepen en bordessen; 
de groote grasvelden, waarop nog de marmeren tuinbeelden 
met doode oogen staan te peinzen; de stille, vertrouwelijke 
koepels aan het water en de donkere ,,allées" en kunstig in- 
eengevlochten „berceaux": 

Indien dit boschje klappen kon 
Wat meldde 't al vrijage .... 

En dan in het z u i d en en westen der provincie de ge- 
noegelijke stadjes, die nu zoo heelemaal niets meer in de poli- 
tieke melk te brokken hebben en eenmaal, öm-wald en öm- 
gracht, geducht op hun poot konden spelen; Wijk bij Duurstede, 
eenmaal als Dorestad ftederland's eerste koopstad; Rhenen 
met zijn slanke Cuneratoren, bedevaartplaats van meer dan 
gewone beteekenis; even over de grens der provincie: Vianen, 
beruchte vrijplaats en korten tijd, belangrijke badplaats; Woer- 
den, Romeinsche nederzetting; Oude water, waar een Heksen- 
waag was; binnen de provinciegrenzen: Montfoort, waar 
de ridders van St. Jan een commanderij hadden en IJssel- 
stein, dat Utrecht menigmaal het vuur na aan de schenen 
heeft gelegd: 

Want toen die van IJsselsteyn quamen in 't velt 
Hebben die van Utrecht 't op een loopen gesteldt . . . 

Wie de omgeving van Utrecht bezoekt, geve oog en oor 
te gast. 



110 



I. De „Stichtsche Lustwarande." 

Laat het ons thans ook, zij het dan ook in anders bedoelden zin, 
„op een loopen stellen." En dan nemen wij eerst — oostwaarts 
— den breeden straatweg naar De Bildt, den grooten 
verkeersweg naar Amersfoort en Arnhem. Het ,,fort aan de 
Biltstraat" met zijn ,,weg ö m het fort" (een afzonderlijk 
rijwielpad langs de andere zijde om de fortgracht heen bracht 
reeds eenige verbetering) levert even 'n moeilijkheid op om 
snel de stad uit te komen. Maar eens zal een weg mi d- 
den door het fort heen het bezwaar uit den weg 
ruimen en dan kan het groote rij -verkeer recht-toe, recht-aan 
op het dorp de Bildt koersen. 

Aan weerszijden van den Biltschen straatweg (een der 
oudste „steenwegen" van ons land, in 1433 al bestraat) vormen 
de moderne villatjes, een vroolijke bonte rij, zoo nu en dan 
afgewisseld door een breed en vorstelijk statig landgoed (Zand- 
wyck). In het Kloosterpark, (vroeger heeft er een vrouwen- 
klooster „Koelenberg" gestaan) rechts van den straatweg 
en aan de overzijde van de Biltsche grift, het METEOROLO- 
GISCH INSTITUUT, het centraal observatorium voor meteoro- 
logische waarnemingen, waar een compleet instrumentarium 
den luchtdruk, temperatuur, windrichting en windsnelheid, 
neerslag en zonneschijn voortdurend registreert. 

Het Meteorologisch Instituut is een schepping van den Utrecht- 
schen wis- en natuurkundige Prof. Dr. C. H. D. Buys Ballot (1817 — 
1890). In 1849 begon Buys Ballot geregeld meteorologische en 
magnetische waarnemingen te doen, waarvoor hij op eigen kosten 
een kelder in het gebouw Sonnenborgh op de oude bolwerken der 
stad Utrecht liet inrichten. In 1854 kreeg hij voor deze waarnemingen 
de gewenschte hulp van den staat en werd onder Thorbecke het 
Meteorologisch Instituut opgericht, waarvan Buys Ballot directeur 
werd. Het instituut bleef tot 1896 gevestigd in het gebouw Sonnen- 
borgh en werd toen overgebracht naar de Bildt. In 1900 werd voor 
het gebouw een borstbeeld van Buys Ballot geplaatst. 

Het eigenlijke dorp DE BILDT strekt zich langs den straatweg 
uit; even voorbij het gemeentehuis gaat een weg linksaf over 
het villapark Bilthoven (station aan de spoorlijn Utrecht — 
Amersfoort) langs Prins Hendrikoord naar Soestdijk en van 
daar links naar Baarn en Hilversum en rechts naar Soest 
en Amersfoort. 



111 



BILTHOVEN is langzamerhand geworden een naar de oostelijke 
zandgronden vooruitgeschoven woon-wijk van Utrecht ; een Utrechtsch 
satelliet-stadje en villa-park temidden der Biltsche duinen en Biltsche 
bosschen. Helaas is het meerendeel van hetgeen daar gebouwd 
is geworden van een onbelangrijke schijn-schoonheid. Zeer fraai 
is de door Dr. Ir. G. W. van Heukelom gebouwde Woudkapel; de 
architectuur der nieuwe R. K. Kerk is onrustig. De nieuwe Water- 
toren is goed van teekening. De omstreken van Bilthoven bieden 
gelegenheid tot fraaie bosch- en duinwandelingen. Van de vele, in 
den laatsten tijd bijna alle door boschaanplant vastgelegde zand- 
verstuivingen, zijn de Biltsche duinen de grootste nog stuivende 
zanden. 

Buitengemeen fraaie wandelingen en fietstochten — het heerlijk 
net van fietspaden dankt Utrecht's omgeving aan den A. N. W. B. 
en de U. M. O. — bieden detusschen Prins Hendrikoord en Hilversum 
gelegen Lage en Hooge Vuursche. Bij de Vuursche, het 
midden in een vijver gelegen kasteel Drakesteyn, in zijn 
tegenwoordigen staat dateerend van 1640, als adellijk goed reeds 
in 983 door Keizer Otto aan den Utrechtschen bisschop Balderic 
ten geschenke gegeven; oude merkwaardigheden in 't bosch zijn 
de Kapel, de Grot, de Konijnenberg (met echo) en de Vischkom. 

Tusschen de oude linden een groote offersteen (dolmen), over- 
blijfsel van een hunnebed. Opgravingen sedert het midden der XlXe 
eeuw brachten hier ter plaatse talrijke praehistorische voorwerpen 
aan het licht. 

SOESTDIJK is bekend door het zomerverblijf van H. M. 
de Koningin Moeder, een fraai, wit paleis met kolonnade; het is 
een uitgestrekt landgoed in 1674 door de Staten van Utrecht aan 
Prins Willem III geschonken, die er een jachthuis liet 'bouwen en 
een park aanleggen in den stijl van Le Nötre. Voortdurend breidden 
de Oranje's het verkregen gebied uit. In den Franschen tijd werd 
het tot Staatsdomein verklaard en een tijdlang als logement verhuurd 
(1799); in 1808 resideerde er Koning Lodewijk Napoleon. In 1815 
droegen de Staten Generaal Soestdijk aan den kroonprins op. 

Tegenover het lustslot aan het einde van een breede beukenlaan 
de ,, Naald van Waterloo"; op het landgoed zelf aan den openbaren 
weg, het grafmonumentje van Christoffel Pullmann, den trouwen 
Zwitserschen lijfgardist, die in 1787 voor het paleis door de patriotten 
werd doodgeschoten. 

Het frissche en fleurige BAARN ligt op het oostelijk uiteinde 
der hooge streek, die zich van de Loosdrechtsche venen naar de 
Eem uitstrekt. Het dankt zijn naam aan 't Saksische Bearo, dat 
,, heilig bosch" beteekent. Van 1390 tot einde der XVe eeuw werd 
Baarn onder de steden gerekend; later werd het, na in 1481 verbrand 
te zijn, tot dorp gedegradeerd. Het Baarnsche Bosch met zijn vijvers 
(de Eendenkom, de Groote Kom en de Linden Kom) en het Over- 
bosch met de Jagerskom, de Russische Kapel, het Boterbergje en 
den Hertenkamp bieden prachtige wandelingen. 

Tusschen Soestdijk en SOEST ligt in de nabijheid van den Soester 
Eng de Lazarusberg, met prachtig panorama; ten westen van het 
zeer oude dorp Soest (reeds in de Xe eeuw als ,,Zusatum" bekend) 



112 



H. BREEN V | H H. v. OORT 

M ARIASTRA AT 38 



SPECIAAL MAGAZIJN IN: 

PENDULES 
MODERNE KLOKKEN 
HORLOGES 



lstc KLAS REPARATIE INRICHTING 
RESTAUTEEREN van ANTIEKE KLOKKEN 



Bij vestiging te Utrecht 
kiest U als vertrouwens 
adres voor Uwe 

BRILLEN 
PINCE-NEZ'S 
LORGNETTEN 

OPTICIEN 

E G, LAMMERTS 
VAN BÜEREN 

ZADELSTR. 33 - OPGER. 1875 

Kijkers, Mikroscopen, Loupes, 
Barometers,Thermometers, Foto, Projectie, fijnste Staalwaren 





MAISON 

THEO BLOM 

CONFISEUR 

HET EENIGST ADRES VOOR 
DE WETTIG GEDEPONEERDE 

„DOMTORENTJES" 



m 



m 



5 MAAL BEKROOND I 



Zadelstraat 23 1 



UTRECHT 



m 
m 
m 
m 

M 

TELEFOON 11135 1 



FOTOHANDEL EN ATELIER 

G. BORG 

ZADELSTRAAT 20 B / D DOM 
UTRECHT - TELEFOON 1314-1 



GROOTE SORTEERING 
VAN DE MEEST BEKENDE FABRIKATEN: 
ROLFILMS, FILMPACKS, PLATEN EN PAPIER 



KODAKS, ROLFILM- EN PLATENCAMERA'S 



AFWERKEN VOOR AMATEURS C2-4 UURSDIENST) 

ATELIER VOOR 
HET MAKEN VAN PORTRETTEN, GEOPEND 
BIJ ELKE WEERSGESTELDHEID VAN 10-6 



het Soesterveen, afgegraven hoogveen thans in laagveen veranderd, 
met merkwaardige flora. 

Even voorbij het dorp de Bildt begint ter weerszijden van den 
weg naar Zeist (waarlangs de electrische tram Utrecht — Zeist) 
de rij landgoederen, die aan deze streek een wondere bekoring 
verleenen: Houderingen, (rijke vindplaats van padden- 
stoelen en zwammen; prachtig beukenhout) Beerscho- 
ten en Vollenhoven en verderop de witte villa M a 
Retraite. De buitenverblijven volgen elkaar in snelle af- 
wisseling op en de prachtige tuin- en parkaanleg geeft telkens 
weer opnieuw gelegenheid welverzorgd natuurschoon te ge- 
nieten. 

Tegenover het landgoed Vollenhoven buigt zich van den hoofd- 
weg Utrecht — Zeist de straatweg naar Amersfoort af. Links 
het landelijk ontspanningsoord de Pan; bij Huis ter Heide 
kruist de straatweg het spoorlijntje Utrecht — Zeist; van het station 
Huis ter Heide af volgt de electrische tram van Arnhem den straat- 
weg naar Amersfoort. Tusschen Bilthoven en Huis ter Heide het 
villapark Bosch en Duin. Tegenover het oude huis Zand- 
bergen de Doldersche weg, welke voert naar den Dolder met 
de witte paviljoens van het Geneeskundig Gesticht voor Krank- 
zinnigen, de Willem Arntszhoeve. Voorbij Huis ter Heide op den 
weg naar Amersfoort Soesterberg met het ruime Vliegkamp 
(aardige gelegenheid om daar vliegdemonstraties bij te wonen 
te midden van een heerlijk natuurlandschap). Iets verder de Stom- 
p e r t. Even voor Amersfoort rechts een zijweg naar Oud-Leus- 
den met zijn beukenbosch en den verweerden vroeg-gothischen toren 
van de, beginl800 wegens bouwvalligheid afgebroken Xlle eeuwsche 
romaansche kerk. Tusschen Oud-Leusden en Amersfoort de ,,Gal- 
genberg" een heuvel, ook wel de,, Zeven Boompjes" — zeven boomen 
bekronen den top — met prachtig uitzicht over de Geldersche Vallei. 
Ter linkerzijde van den straatweg Huis ter Heide— Amersfoort 
het Belgische Monument, opgericht ter herinnering aan 
het verblijf der Belgische vluchtelingen daar ter plaatse gedurende 
den Wereldoorlog. 

AMERSFOORT is alleszins een bezoek waard. Het is een 
zeer oude stad, die haar naam ontleent aan een voorde" (een 
bed van aarde tusschen twee riviertakken) van de Eem. Amersfoort 
wordt in de geschiedenis het eerst in 1028 genoemd, toen zich reeds 
een nederzetting om het kasteel had gevormd, waarvan de plaats 
nu nog als ,,de Hof" in het hart der stad terug te vinden is. In 1259 
werd Amersfoort tot stad verheven; in de middeleeuwen had het 
herhaaldelijk te lijden onder de rampen van den oorlog, watersnood 
en pestilentie. Van het oude is nog vrij veel gespaard gebleven en 
op verschillende plaatsen zijn nog mooie antieke gevels en gebouwen 
en daardoor weer schilderachtige stadsgezichten met veel grachtjes 
en singels te genieten. De oude vestingwallen zijn in moderne wandel- 



113 



plaatsen herschapen. Een historische verzameling (herinneringen 
aan Johan van Oldenbarneveldt, o.a. het stokje, ,,dat 's vrij doms stut 
en Hollants Vader, gestut heeft op dat wreet schavot") bevat het Mu- 
seum Fléhite. (Fléhite is de oudste benaming voor de Eemstreek). 
De voornaamste gebouwen zijn de St. Joriskerk uit de XlVe eeuw 
(romaansch, in gothieken stijl verbouwd, met prachtig, doch ten 
deele vernield oxaal) , de Lieve-Vrouwe toren (gothiek met renaissance 
spits en klokkenspel van Hemony; de torenbouw werd in 1441 be- 
gonnen; het bovenstuk met den kleinen bijtoren schijnt te moeten 
symboliseeren de Madonna met het Kindje Jezus), de Koppelpoort 
(gerestaureerde XVe eeuwsche land- en waterpoort tegelijk); het 
Pieters- en Blocklandtsgasthuis (voor 1390 gesticht met door kunstig 
metselwerk overwelfde kapel en mannenslaapzaal, een zeldzaam ge- 
denkteeken eener middeleeuwsche liefdadigheids instelling). Het Gods- 
huis ,,de Armen de Poth" en de St. Rochuskapel. Interessante stads- 
gedeelten o.a. ,, Muurhuizen", (waar Oldenbarneveldt gewoond heeft), 
bij den ouden Dieventoren en Monnikendam (het schilderachtige 
stadshoekje, waar de Luntersche beek de stad binnenkomt). Het 
College van de Oud- Bisschoppelijke Clerezy bezit een belangrijke 
bibliotheek met oude handschriften ; de kerk dezer Oud- Bisschoppelijke 
Clerezy was oorspronkelijk een kloostergebouw. In de St. Joriskerk 
een monument voor den bouwmeester Jacob van Campen (bouw- 
meester van het Paleis op den Dam ± 1657) en op het stations- 
plein een borstbeeld van Johan van Oldenbarneveldt. Het ruime 
plein ,,de Hof" was oorspronkelijk tuin, die vroeger behoorde bij 
het kasteel der Heeren van Amersfoort; de Hof met de omliggende 
straten behooren tot het oudste gedeelte der stad. In het plantsoen 
de Amersfoortsche Kei, een groot granieten zwerfblok, in 1661 op 
aandrang van den zonderlingen Everard Meyster van één der om- 
liggende heidevelden naar Amersfoort gesleept, aan welke gebeurtenis 
de Amersfoorters den bijnaam te danken hebben van ,, Keietrekkers." 
De steen werd in 1674, na het vertrek der Franschen, die er danig 
mede gespot hadden, in den grond gegraven, maar in 1903 weder 
op een voetstuk in eere hersteld. Even buiten de stad het landgoed 
— thans stadseigendom — Birkhoven met sportterrein en renbaam 

ZEIST zelf is een der grootste, een der elegantste en een der 
oudste dorpen van het Sticht, langzamerhand meer tuinstad 
dan dorp. In officieele bescheiden van het jaar 838 komt reeds 
de naam SEYST voor en in latere annalen wordt herhaaldelijk 
van deze gemeente gewag gemaakt. Zeist was o.a. de plaats, 
waar de bisschoppen door het platteland gehuldigd plachten 
te worden. Het lot der oude dorpen in het Sticht, n.1. dat van 
plundering en van brand, is deze gemeente niet bespaard 
gebleven, maar telkens kwam Zeist de ellende van den oorlog 
glorieus te boven. Van een Huis-te-Seyst moet reeds in 
1243 sprake zijn geweest en de goederen, waarop dit Huis 
stond, werden in 1536 door de Staten van Utrecht als ridder- 



114 



matig erkend. Het schoonste sieraad van dit dorp is wel het 
SLOT, dat, in zijn tegenwoordigen toestand, van omstreeks 
1678 dateert: het werd ter vervanging van het deels vervallen, 
gesloopte Huis van Seyst gebouwd door Willem van Nassau. 
In 1767 ging het in eigendom over aan de dochter van den 
Graaf van Zinzendorf, den stichter van de Evangelische 
broedergemeente te Hernhut. Het breedvleugelige slot zelf 
met zijn fraaie middenpartij en hoogen stoep behoort tegen- 
woordig niet meer tot de Moravische Broedergemeente, maar 
de groote ingetogen gebouwen-complexen ter weerszijden 
rondom het Broederplein en het Zusterplein strekken nog 
steeds tot woonplaats van de Hernhutters, die er hun kerk 
en scholen hebben. 



De Hernhutters vormen een godsdienstig-maatschappelijke broe- 
derlijke eenheid en gemeenschap; zij aanvaarden de Apost. Ge- 
loofsbelijdenis; middelpunt van hun leer is Jezus en de verzoening; 
de tucht is streng, de godsdienstoefening is gemeente-vergadering. 
Oorspronkelijk was de Hernhuttersche gemeente in Holland ge- 
vestigd in het Huis Heerendijk op kleinen afstand van IJsselstein; 
allengs werd het echter verdrongen door Zeist, waar, daar Zeist 
een heerlijkheid was, de Hernhutters zich in deze oase van gods- 
dienstig socialisme rustig konden inrichten en hun dooden op de 
hun eigen wijze konden begraven. Hun zendings-arbeid is beroemd. 



Ter zijde van het 
Slot, aan den kant van 
de breede slotgracht, 
twee groote witte beel- 
den, van heidensche 
stroomgoden door de 
spraakmakende ge- 
meente op blijkbaar 
zeer losse vermoe- 
dens ,,Adam en Eva" 
genoemd .... Achter 
het slot, dat van het 
Rond af met groote 
gazons geheel open 
ligt, vormen 




In de Koe-laan te Zeist, 
mooie beukenboomen de ,, Koe-laan." 



Langs de Koe-laan kan men gaan naar het dorp BUNNIK (met 
aardig bruggetje over den Krommen Rijn) of naar Oostbroek, waar 
in de Xlle eeuw de beroemde, aan de H. Laurentius gewijde Oost- 



115 



broeker Abdij stond, waarvan nog eenige overblijfselen gevonden 
worden bij de Kloosterlinde aan het einde van het aardige Oost- 
broekerlaantje; van Bunnik uit kan men langs verschillende wegen 
naar Utrecht, o.a. over Rhijnauwen. 

Het leven en verkeer te Zeist concentreeren zich voornamelijk 
op 't R o n d, met fraai monumentaal stadhuis en postkantoor 
(architect van beide: Jan Stuivinga). In 't nieuwe gedeelte 
van Zeist fraaie gedeelten villa-park met architectonisch 
goede landhuizen en villa's van kleineren omvang. De S 1 o t- 
1 a a n is tot een breeden, op het Slot uitloopenden verkeers- 
weg gemoderniseerd. Aardig ligt midden in 't dorp op 'n hoogte, 
't oude Zeister kerkje. Verscheidene parken, het Wilhel- 

mina-, Walkert-, 
Schaerweyder-, Ker- 
ckebosch- enPanpark 
bieden gelegenheid te 
over om te wandelen 
en tevens te genieten 
van de schitterende 
nuanceeringen, welke 
in deze juweeltjes van 

natuur weelde, de 
bloemen- en planten- 
wereld biedt. De Zeis- 
ter Bosschenzijn van 

Slotgracht te Zeist. een algemeene ver- 

maardheid: groote 
uitgestrekte boschcomplexen met verrukkelijke doorkijkjes en 
rustige zitjes rondom de roerlooze vijvers onder eeuwenoud 
geboomte. Bij den ingang van het Zeisterbosch een bison- 
park met heusche bisons. Inde nabijheid van het dorp het 
bekende Kamp van Zeist, dat reeds in 1787 voor dit 
doel werd aangelegd. 

Van Zeist voert de Woudenbergsche straatweg ( Barneveld en Ede) 
langs de Pyramide van Austerlitz, een monument uit 
den Napoleontischen tijd. In 1804 lag n.1. daar ter plaatse het Fransch- 
Bataafsche leger, een der zes groote legercorpsen, waarmede Napoleon 
den oorlog tegen Engeland dacht te voeren. Het gehucht in de nabij- 
heid van Zeist, waar de troepen gelegerd waren, werd door den 
legercommandant, generaal de Marmont, eerst ,, Napoleon" ge- 
noemd, maar na den slag van Austerlitz in ,, Austerlitz" veranderd. 
Ten einde het kampeeren der 21000 man te veraangenamen, liet 




116 



de Marmont in September 1804 een kunstheuvel opwerpen, geheel 
naar het model der Egyptische pyramiden en plaatste er vervolgens 
een naald op. Het opwerpen der kegelvormige aarden hoogte duurde 
27 dagen; pyramide plus naald waren ±40 Meter hoog. De houten 
naald is later vervangen door een uitzichtstoren, die 12 Meter hoog is. 

Als merkwaardigheid moge nog de aandacht gevestigd worden 
op een koepel rechts aan den Woudenbergschen weg, die omstreeks 

1840 gebouwd is van afbraak van de oude Amsterdamsche 

beurs ! 

Zeist vormt met de langs den grooten en drukken Arnhem- 
schen straatweg liggende dorpen: Driebergen, R ij s e n- 
burg en Doorn, het schoonste gedeelte van de Stichtsche 
Lustwarande; bijna zonder onderbreking rijen zich schoone 
villa's en landgoederen ter weerszijden van den weg aaneen, 
nu en dan afgewisseld door een oud kasteel, in de verte door 
donker geboomte heen opschemerend als in een oud sprookjes- 
verhaal. 

Dicht bij Zeist, maar reeds in de gemeente Driebergen, 
ligt het fraaie buitengoed Beerschoten met den daar- 
over gelegen Hertenkamp tot openbare wandelplaats „Wil- 
linkspark" aangelegd; een zandsteenen monument houdt 
de herinnering levendig aan den milden gever. 

In RIJSENBURG is de kerk merkwaardig; een in roode 
belichting eigenaardig opgesteld wit-marmeren beeld van den 
stichter van Rijsenburg, P. J. van Oosthuyse (werk van den 
Vlaming Ducasu 1863). 

VanjiOosthuyse was in het begin der XlXe eeuw leverancier van het 
Fransche leger en hij wilde van Rijsenburg een fabrieksstad maken. 
Vóór de kerk liet hij de twee half-cirkelvormige rijen huisjes bouwen, 
alle met één verdieping, waarin zijn kleer- en pettenmakers, zijn 
knoopendraaiers en kousenmakers woonden. In de verdere uit- 
voering van zijn grootsche plannen werd Oosthuyse door den dood 
verhinderd. De huisjes zijn nog aanwezig; achter de kerk de graf- 
kelder van de familie van Rijckevorssel. 

Voorts het R. K. Groot Se minarium van 't Aartsbisdom 
Utrecht, in 1853 gesticht voor de opleiding van r. k. geeste- 
lijken. Dr. H. J. A. M. Schaepman (1844—1903) studeerde 
er theologie en was er later hoogleeraar in de kerkgeschiedenis. 
Te zijner nagedachtenis is aan den straatweg opgericht het 
Schaepman-monument (1909) met aan de 
voorzijde de staande figuur van den grooten Nederlander, die 
op zoo menig gebied een belangrijke rol heeft gespeeld; in 



117 



de vijf andere vakken van het monument geven haut-reliefs 
een voorstelling van Schaepman als priester, staatsman, volks- 
man, professor en dichter, 't Naast het seminarium gelegen 
Sparr endaal, waar de Fransche generaal de Marmont in 1805 
zijn hoofdkwartier gevestigd had, was vroeger bisschoppelijk 
paleis. 

Mgr. Dr. H. J. A. M. Schaepman werd in 1844 te Tubbergen ge- 
boren en overleed te Rome in 1903. Oorspronkelijk wilde hij zee- 
officier worden, doch gezichtszwakte maakte dezen militanten figuur 
voor den militairen dienst ongeschikt. Te Rijsenburg studeerde hij 
theologie; in 1867 ontving hij de priesterwijding en het volgend 
jaar toog hij naar Rome, waar hij op het Vaticaansche concilie 
de behandeling van het vraagstuk der onfeilbaarheid bijwoonde. 
Als doctor in de theologie teruggekeerd, werd hij in 1870 benoemd 
tot hoogleeraar in de Kerkgeschiedenis aan het Rijsenburgsche 
seminarium. In 1880 werd hij tot lid der Tweede Kamer gekozen 
en speelde sindsdien een voorname rol in de staatkundige geschiedenis 
van ons land. Mgr. Schaepman heeft veel gepubliceerd, zoowel als 
dichter, als letterkundige, als theoloog, als staatkundige en als journa- 
list. Schaepman's leuze was: ,, Credo, pugno": ik geloof en ik strijd. 

In de gemeente DRIEBERGEN het prachtige Driebergsche 
Bosch met bekende plekjes als de Zwitsersche Brug, de Elf- 
sprong en het vijvertje de Flesch. 

Van Driebergen uit is een wandeling langs de Langbroeksche Wete- 
ring ten zeerste aan te bevelen. Het is daar ,,une nature avec des quar- 
tiers": een aaneenschakeling van heel oude kasteelen, waarvan ver- 
scheidene een rol gespeeld hebben in de geschiedenis. Op een kaart 
van het z.g, ,,Overkwartier" uit het jaar 1777 staan niet minder 
dan 30 riddermatige huizen aangegeven. 

Vele van die oude kasteelen zijn nog gespaard gebleven (sommige 
worden zelfs nog bewoond) : Beverweert, Sterkenburg, Hardenbroek, 
Leeuwenberg, Weerdensteyn, Hinderstein, Lunenburg, Wallenburg 
(alleen de verweerde toren is ervan over), Sandenburg, Groenenstein 
(waarvan nog slechts de poort bestaat), 't Is een eigenaardige be- 
koring in dit frissche landschap van groene grazige weiden en 
kronkelende weteringen telkens weer opnieuw op zoo navrante 
wijze herinnerd te worden aan den weemoed der verleden dingen; 
als oude gebaarde schildwachten van een voorbijgetrokken machtig 
leger staan de oude kasteelen, houdend trouw de wacht in het 
stille land, spiedend over de vlakten, blond van golvend koren en 
de groene landen met witte bruggetjes over vriendelijke watertjes. 

Dichtbij Doorn de ridderhofstede Moer sbergen, eenklas- 
siek plekje uit het oude Sticht; een grimmige, middeleeuwsche 
ridderhofstede al van vóór 1400, met park, brug, toren en 
grachten. 



118 



DOORN is als dorp zeer oud; de naam is waarschijnlijk 
afkomstig van den germaanschen dondergod Thor. Hier 
vooral concentreert zich in de zomermaanden het vreemde- 
lingenbezoek; de met bosschen bezette hooge zandgronden (de 
Darthuizerberg is circa 50 meter boven A. P.), afgewisseld 
door heide en bouwland, benevens de aanwezigheid van een 
groot aantal buitenverblijven met prachtige parken en tuinen, 
hebben Doorn gemaakt tot een der meest gezochte zomer- 
verblijven in Nederland. In den laatsten tijd heeft het dorp 
nog meer bekendheid verkregen door de vestiging aldaar van 
den voormaligen Keizer van Duitschland op het Huis te Doorn, 
dat van den weg af gedeeltelijk is te zien. 

Huis te Doorn werd in de XlVe eeuw door een Utrechtschen 
Domproost gesticht. In 1536 werd het als ridderhofstede erkend en 
tot 1634 door de proosten van St. Maarten bewoond. Alleen de 
ronde hoektoren herinnert nog aan den oorspronkelijken bouw. De 
voormalige Duitsche keizer heeft aan den Langbroekerweg in Hol- 
landschen stijl een poortgebouw van volbloed Hollandschen baksteen 
doen bouwen, waarin de wachtlokalen zijn voor de Rijksveldwachters. 

De kerk te Doorn is een van de oudste dorpskerken in de 
provincie; het middengedeelte vooral is zeer oud. In de kerk 
een doopvont. 

Doorn zelf biedt prachtige wandelingen in het Doornsche 
Bosch met zijn hoofdwegen en terzijde daarvan de bosch- 
paadjes met schoone vergezichten. 

Van Doorn gaat 
noordwaarts de weg 
naar Amersfoort, langs 
Zonheuvel, (de plek, 
waarop dit nieuwge- 
bouwde kasteel staat, is 
het hoogste punt van 
den Doornschen heu- 
velrug) , Maarn en Oud- 
Leusden. De weg biedt 
prachtige vergezichten 
over de Leusdensche 
heide en de Treeker 
Duinen, het mooie heu- 
vellandschap stil en rus- 
tig van lijn, met aan 
den gezichtseinder den 
slanken toren van 
A mersfoort. 




In het Doornsche Bosch. 



119 



De Arnhemsche Straatweg is na Doorn niet meer zoo veel- 
vuldig met villa's ter weerszijden bezoomd als hij was van 
Zeist tot Doorn; in zijn verder oostelijk gedeelte is hij meer 
een breede allée tusschen bosschen en heidelandschappen. 
Maar mooi en majestueus blijft de weg nog steeds. Even voorbij 
het tramstation Sandenburgerlaan, waar een zijtak van de 
tram afbuigt naar Wijk-bij-Duurstede, de Darthuize r- 
berg, met op de heuveltoppen hier en daar koepels, vanwaar 
men prachtige vergezichten heeft Rijnwaarts zoowel als 
op de Leusdener plassen; op den Donderberg het in 
naaldvorm opgetrokken grafmonument van de familie Nelle- 
steyn. Het witgepleisterde monument houdt de herinnering 
levendig aan de prachtige schenking van den heer C. J. van 
Nellesteyn (overleden 1906), die al zijn onroerende goederen 
aan de gemeente Leersum heeft vermaakt, onder den last 
van onderhoud van tombe en grafkelder. 

Een uitstapje naar WIJK-BIJ-DUURSTEDE bijv. als eindpunt van 
een tocht langs de kasteelen, is zeer aan te bevelen. Wijk-bij-Duur- 
stede herinnert ons aan Neerland's eerste koopstad Dorestad; de 
tegenwoordige stad ligt ter plaatse, waar de Rijn zich in Krommen 
Rijn en Lek splitst; het vroegere Dorestad lag op eenigen afstand, 
als een langgerekte nederzetting van woningen langs de rivier. In 
Dorestad's glorietijd (VlIIe en begin IXe eeuw) ging heel de inter- 
nationale scheepvaart van het noorden, vooral ook die uit de Oostzee, 
via den Vliestroom, Vecht en Krommen Rijn, een of anderen Rijntak 
langs Dorestad naar Keulen en door de Zuid-Hollandsche en Zeeuw- 
sche stroo'men naar Engeland. De plunderingen en brandstichtingen 
der Noormannen deden Dorestad, totaal verwoest, ten ondergaan. 
In het latere Wijk-bij-Duurstede hadden de bisschoppen van Utrecht 
hun mooie kasteel, waar zij veelal, vooral des zomers resideerden. 
Van dit bisschoppelijk kasteel, dat zulk een voorname rol in de ge- 
schiedenis gespeeld heeft, is niets over dan een ten deele gerestau- 
reerde ruïne. 

Over LEERSUM en AMERONGEN zet zich dan de straat- 
weg voort naar het Geldersche. Amerongen vooral is zeer 
mooi gelegen en des zomers een van de meest geliefkoosde 
plekjes voor wie zijn vacantie in eigen land wil doorbrengen. 
Komt men in de buurt van Utrecht, dan vergete men vooral 
niet zijn tocht, hetzij per auto, hetzij per fiets, dan wel zijn 
wandeling tot Amerongen voort te zetten. In het dorp is een 
fraai gemeentehuis en terzijde van den hoofdweg liggen twee 
prachtige, uit een historisch oogpunt buitengemeen belangrijke, 



120 



kaste elen: dat van Amerongen en het nog oudere slot 
Zuylensteijn. 

Het slot Amerongen is de vorstelijke bezitting van het geslacht 
van Aldenburg Bentinck. Het is inwendig één groote verzameling 
historische- en kunstschatten. Reeds van zeer oude tijden dateert 
het bestaan van een kasteel Amerongen. Bij den opmarsch van 
Lodewijk XIV naar Utrecht in 1672 logeerde er de Zonnekoning, 
maar toen deze onverrichterzake van zijn Hollandsche reis terug 
moest keeren, liet hij het slot verwoesten. Het was niet de eerste 
maal, dat dit lot een kasteel Amerongen ten deel viel, maar ditmaal 
werd het slot door Cornelis Rietveld, een leerling van Jacob van 
Campen, herbouwd en dit herbouwde slot bleef tot den huidigen 
dag gespaard en vormt nu het luisterrijk middelpunt van een vorste- 
lijke bezitting. In 1918 werd hier den exileerenden Keizer Wilhelm 
II gastvrijheid geboden. 

Zuylensteijn ontkwam in 1672 den dans der Fransche verniel- 
woede. Het is kleiner, ouder, bouwvalliger dan Amerongen, maar 
het is buitengemeen pittoreske en bekoorlijk. Op dit kasteelke, 
met zijn nog volkomen intact gebleven ,, koningzaal", ontving Prins 
Willem III in 1675 de afvaardiging van de Staten van Gelderland, 
die hem de hertogskroon van dat gewest kwam aanbieden. Zoowel 
het slot Amerongen als het kasteel Zuylensteyn bevatten vele en merk- 
waardige herinneringen aan het Huis van Oranje. 

De meest oostelijke stad der provincie Utrecht is dan 
RHENEN, met in haar nabijheid de Grebbeberg. Tusschen 
Grebbeberg en Wageningsche berg loopt de Geldersche grens, 
die voor een deel gevormd wordt door het vergraven riviertje 
de Grebbe. 

De stad Rhenen ligt tegen de heuvel-helling; in een deel der stad 
zijn de straten vrij steil. Beroemd en inderdaad een bouwwerk om 
van te genieten en waarvan men de herinnering niet spoedig kwijt 
raakt, is de prachtige Cuneratoren (1492 — 1531 gebouwd), in 1897 
met de kerk afgebrand, maar sedert in den oorspronkelijken vorm 
hersteld. Rhenen was vroeger een druk bezochte bedevaartstad, 
waar de H. Cunera (aan wie de Cuneratoren, de Cuneraweg en het 
Cunerabergje herinneren) vereerd werd. De stad is zeer oud, zij 
wordt reeds in 855 genoemd. De Boheemsche Winterkoning (Frederik 
V van de Paltz) heeft er na zijn vlucht in 1620 verblijf gehouden. 
De omgeving van de stad (de Grebbeberg, de Heymerberg, de Laar- 
scherberg en meer westelijk de Sparreboomsche berg en de Buurtsche 
berg met het Remmersteinachbosch) is buitengewoon rijk aan zeer 
verschillend en zich telkens afwisselend natuurschoon. 

Voor de streek oostelijk van de stad Utrecht langs den 
straatweg naar Arnhem is de bijnaam „STICHTSCHE LUST- 
WARANDE" geen overdrijving; al wat Nederland aan natuur- 
schoon rijk is, vindt men hier in zijn beste verschijning en zijn 
schoonsten vorm. 



121 



II. DeVechtstreek. 



Er is een tijd geweest, dat van alle natuurschoon, hetwelk ons 
land te bieden had, de VECHTSTREEK de kroon spande; 
wie thans spreekt van het natuurschoon onzer provincie, denkt 
het eerst aan de omgeving van Zeist en Doorn en men vergeet 
helaas, óm het oostelijk deel van Utrecht, zoo vaak de Vecht. 
En toch, wie eenmaal dit noord- westelijk deel der provincie 
heeft bezocht en heeft doorkruist, voor hem wordt het ver- 
geten hoofdstuk van Utrecht's natuurschoon een nooit- 
t e-v e r g e t e n kapittel. . . . 

DE VECHT! Er is geen rivier veelvuldiger door dichters 
bezongen, door kunstenaars in beeld gebracht dan de ,, Zege- 
pralende Vecht". Onze grootste landschapschilders hebben de 
Vecht op hun doeken, op hun etsen, in hun teekeningen ver- 
eeuwigd. En onze poëten? De eene zong: 

,,Het lust mij van een stroom te dichten 
Daar ieder voor verstomd moet staan." 

Een ander: 

,,0 Vechtstroom, met uw blanke Swaanen 

Uw vogels, vissen en geboomt, 
Uw hofsteên en uw schoone Laanen 

Alom met welig gras bezoomd"* 

En niemand minder dan Constantijn Huygens, zijn vriend 
Huydecoper van Maarseveen toesprekend, puntdichtte: 

,,Ick heb soo swaeren strijdt met deze Vecht te vechten, 
Haer schoonheit, Maerseveen, tast mij soo vriendelick aen, 
Dat ick moet vluchten, niet voor d'eer van uw gerechten, 
Maer om uw' soete Vechts aanvechtingen t' ontgaen." 

Het interessantste is wel een boottocht langs de Vecht; 
nog steeds, al is veel schoons ontluisterd en al is ook hier en 
daar een stuk natuurschoon weggevallen, geofferd aan nuchtere 
eischen van soms onwelriekende industrie, nog steeds geldt, wat 
in 1775 een vreemdeling reeds van de Vechtstreek getuigde: ,,de 
buitenplaatsen en tuinen langs de Vecht maken den tocht op 
die rivier zoo mooi als de verbeelding zich maar kan voor- 
stellen; zij volgen elkaar, tot Breukelen toe, gedurende een uur 
onafgebroken op, zoodat de eene lusthof onmiddellijk grenst 
aan den volgenden." Maar wie geen boot te zijner beschikking 



122 



heeft, (er is des zomers een passagiers-stoombootdienst Utrecht 
— Vreeland en terug; het bootje vaart af van de Roode 
Brug) kan even goed de bekoorlijkheden van het Vecht-land- 
schap genieten, door den weg langs den stroom 
te volgen; de buitens, van den straatweg af gezien, met hun 
fraaie hekken en voorgevels, zijn dikwijls van d i e zijde nog 
interessanter dan van den waterkant. 

De kronkelende loop van de Vecht biedt telkens afwisselende 
vergezichten en de oude woonhuizen in hun sfeer van vervallen 
grootheid verleenen aan het wijde weide-landschap met zijn 
zwaar geboomte een bizonder cachet, 'n Stuk geschiedenis 
herleeft hier voor onze oogen en er is niet veel fantasie voor 
noodig om zich te kunnen voorstellen, hoe het hier alles was 
en hoe het hier toegegaan is in den tijd van poederpruik, trek- 
schuit en joyeuze reiskaros; in deze tuinen, met grasterrassen 
naar het water, met de stijve lanen, geschoren hagen, zeld- 
zame gewassen (is het niet aan deze tuinen-aan-de-Vecht 
te danken geweest, dat ons land een marktplaats was voor 
zeldzame bloemen en planten?) en kunstigen tuinaanleg, 
waarbij vooral niet vergeten mogen worden de verborgen fon- 
teintjes, die iets specifiek Hollandsen waren. ,, Nergens — schreef 
een buitenlandsch geleerde, die tusschen 1723 en 1727 ons 
land een paar maal doorreisde — nergens zijn zoo veel aange- 
name tuinen." De Vecht is een roman van Jacob van Lennep; 
zij is van al het landschapschoon van ons land het onontbeer- 
lijk stukje bellettrie; de Vecht is zoo'n gezellige praatster; zij 
kan zoo genoeglijk vertellen, zoo aardig fabuleeren en zoo 
beminnelijk geheimzinnig doen. Er moet daar aan de Vecht, 
in de tuinen, die voor het meerendeel verkleinde nabootsingen 
waren van Fransche en Italiaansche parken, door de jonge 
Amsterdammers in de laantjes en koepels veel geconverseerd 
en ook veel gevrijd en gestoeid zijn, tot opeens de Mie-Betjes 
en de Anne-Keetjes verschrikt uit elkander gestoven zijn en 
sindsdien de luiken voor de vensters gesloten bleven en het on- 
kruid is gaan groeien tusschen het grint der verlaten wandel- 
paden . . . En toen is het stil geworden aan de Vecht en zorgen 
verduisterden het eenmaal zege-pralende. Zoodat nu de Vecht 
geworden is als de betooverde tuin van de schoone slaapster. 

Oorspronkelijk was de Vecht een open rivier, maar langzamer- 
hand is zij afgesloten; het eerst gebeurde dat bij Utrecht; in de 
XHIe eeuw bij Otterspoor ten Z. van Breukelen door een dam 



123 



met sluizen; in de XVe eeuw bij Hinderdam en ten slotte in 
1673 bij Muiden. Tegenwoordig is de Vecht aan beide einden ge- 
sloten: te Utrecht door de Weerdsluis, te Muiden door de Muider- 
Zeesluis. Zij dient thans om overtollig polderwater op te nemen 
en het zoolang te bergen, tot het op het buitenwater is geloosd. 
Het water van de Vecht was vroeger zoo zuiver en schoon — 
haar dichters spraken dan ook van haar kristallijnen waatren" 
— dat men het te Amsterdam voor het bierbrouwen gebruikte. En 
ook die zuiverheid heeft de arme Vecht thans ingeboet. 



■ Het meer industrieele aspect, dat de Vecht in de onmiddellijke 
nabijheid van de stad Utrecht nog vertoont en dat in Zuilen 
en in Maarssen nog weer opnieuw opduikt, verdwijnt spoedig 
en maakt plaats voor echt Hollandsen landelijk schoon. Op 
den rechteroever diep uit het hooge hout rijst midden in het 
dorp ZUILEN het Huys Te Zuylen (omstreeks 1300 
gebouwd, in 1752 hernieuwd), het stamslot van het aloude 
geslacht van Zuylen, een der weinige kasteelen in den omtrek 
van het veel geplaagde Utrecht, dat dank zij de gastvrijheid, 
welke de prins van Condé bij Godard van Zuylen genoot, niet 
door de troepen van den Franschen Zonnekoning in 1672 ge- 
plunderd noch gehavend is geworden, zoodat dit slot nog een 
rijken schat van oudheden bergt. En na een paar geweldige 
kronkels komt de Vecht onder hoog en oud geboomte ter weers- 
zijden van haar stillen, koelen stroom en wij varen de statige 
allée binnen, die van hier af, van dorp tot dorp, den Vecht- 




De Molenvliet bij Zuilen. 



124 



stroom overschaduwt. Tusschen de voldragen pracht der 
eeuwenoude populieren en beuken, volgen dan, elk in zijn eigen 
sfeer, de oude buitenverblijven elkander op, vereenzaamd en 
ingetogen, grauw van steen, met blauw-grijze daken en ramen 
met kleine paarse ruitjes en heel beneden, de hooge glazen 
deuren der tuinkamers; en over het water uitgebouwd staan er 
droomend de koepels, zeskantig of rond en op de stille grasvel- 
den, waar hoog het onkruid opgeschoten is, vervelen zich de 
vergeten witte beelden, Flora's en Diana's en misschien ook 
wel een Venus of een verwaarloosd Amortje, beelden, die 
eens, eeuwen her, in den dollen dans des levens hun rol hebben 
meegespeeld. En nu . . .? Maar let op, want aan de andere zijde 
van de Vecht vraagt alweer een ander huis onze aandacht en 
merk op nu, hoe d i t buitenverblijf verschilt in bouwstijl van 
dat, hetwelk wij zoo juist zagen en van dat andere, dat wij al 
eerder voorbijgevaren zijn; hoe hier weer gansch andere op- 
vattingen van bouwheer en bouwmeester naar voren komen 
en hoe ook dit oude huis weer zijn eigen sfeer, zijn eigen 
verhaal schijnt te willen vertellen .... 

Het zijn statige namen, die de huizen dragen langs de Vecht. 
Nauwelijks hebben wij het nijvere MAARSSEN bereikt of daar 
duiken ze een voor een voor ons op; links „Bolestein", met 
kleurige wapenschilden en een klokketoren, dan ,,H erte- 
v e 1 d", maar vooral rechts: Doornenburg, een van de 
vele buitenplaatsen, in de XVIIIe eeuw door beroemde Portu- 
geesche joden bewoond, wier nederzetting in Maarssen een 
tijd van bloei heeft gekend, toen de joden daar industrie gingen 
vestigen, die zij in Amsterdam nog niet mochten uitoefenen. 
En dan komt Goudestein, indrukwekkend en van 
haast vorstelijken zwier, eenmaal het eigendom van den Am- 
sterdamschen burgemeester Huydecoper en door diens huis- 
vriend Constantijn Huygens in drie puntdichten vereeuwigd. 
De namen volgen elkander als bij een plechtige receptie op: 
Vechtoever, Geesbergen, Leeuwenburg (de 
lust-plaats van Jacob van Lennep) Gansenhoe f, Crom- 
w ij c k (waar de dichter Lucas Rotgans woonde en gestorven 
is), Slangenvecht, waar Kees de Tippelaar (C. A. A. 
Dudok de Wit) eenmaal de populaire chatelain was, en dan, wel 
heel typisch en van een bizondere charme: O u d a e n, een 
in XVIen eeuwschen stijl opgetrokken ridderhofstede, met 
trapgevels en zeskant torentje, die haar naam ontleende 



125 



aan hare ligging tegenover het punt, waar de (thans dicht- 
gegroeide) Oude Aa uit de Vecht voortkwam. Maar zie nu weer 
links; want daar treedt in volle wapenrusting als ten voeten 
uit het ridderlijk kasteel N ij e n r o d e uit het groen tevoorschijn. 
De rood-en-gele (eigenlijk gouden) wapenkleuren van het 
bootenhuisje hebben ons reeds van verre de nadering van het 
kasteel gemeld en nu zien wij het in zijn geheel, luisterrijk 
gerestaureerd, met zijn slotpoort en zijn voorplein, de witte 
boog met de trotsche woorden: cedo nulli, zijn torens en kan- 
teelen, de ophaalbrug en de kleurige* luiken voor de vensters. 
Weinig kasteelen, die zoo veelbewogen geschiedenis achter 
den rug hebben als dit Nijenrode (Nijenrode beteekent Nieuwe 

Ontginning); het is op 
zijn minst een half do- 
zijn malen stormender- 
hand genomen en ver- 
nield — ook van de 
wandaden derFransche 
troepen in 1672 kreeg 
het zijn deel — en tel- 
kens rees het weer uit 
puin en tegenspoed 
glorieus omhoog, tot 
op den huidigen dag! 
En nu naderen wij 
Breukelen. BREUKELEN; links 

Breukelen-Nijenrode 
en rechts Breukelen-St. Pieters. Breukelen is echt, wat 
Gorter in zijn Mei zoo karakteristiek typeerde als ,,een oud 
stadje aan de watergracht"! Het heeft iets van die heel ouder- 
wetsche deftigheid en voornaamheid van over-over-groot- 
vaderstijd behouden. Rustig en paraat liggen ter weerszijden 
van het water de kleine, lage huizen, Amsterdamsche Heeren- 
gracht-huizen in miniatuur, meerendeels nog antieke geveltjes 
met ouderwetsche opschriften en benamingen, de trapgeveltjes 
en puntgeveltjes gekarteld tegen de lucht, alles zoo knus en 
klein en alsof zij starend staan te wachten op een voetstap van 
een dorpsgenoot, die de wereld ingegaan is en . . . wel nooit 
meer huiswaarts keert. Op de oevers loopen smalle straatjes 
en steegjes uit en voorbijvarend krijgen wij even 'n snel door- 
kijkje op 'n proper buurtje, waar het, afgestorven van de drukke 




126 



wereld, toch wel heel knus leven moet zijn. Over 't stil geglans 
van het water heen, de pittoreske ophaalbrug en het statig 
rijzen van het brugdek lijkt op hoofsch eerbetoon aan de 
schuit, die er onder door glijdt. En dan, boven het huizen- 
gewirwar uit, de romp van een zwaren kerktoren, die ons, als 
een stoer geschouderd man, straks nog lang zal blijven na- 
oogen, boven 't zware groen der boomen en het oude rood der 
daken uit. 

In „het seer vermaaklijk dorp Breukelen van hoogen ouderdom, 
sijnde Anno 838 door graaf Rotgar aan de kerk van Utrecht ge- 
schonken" is bezienswaardig het Ned. Herv. kerkje met vele oude 
grafsteden, fraaie lezenaars en koperen bogen naast het voorlezers- 
gestoelte, gemaakt door Verhulst (in 1657), die ook het beroemde hek 
van het graf van de Ruyter in de Nieuwe kerk te Amsterdam heeft 
ontworpen. Bij den vroegeren ingang van een grafkapel een mooi 
gesmeed ijzeren hek. In deze kerk werden in 1672 — 1673 boeren, 
die door de Franschen geprest waren om schansen te graven, 's nachts 
opgesloten en van de oude gebeeldhouwde banken en ander meubilair 
stookten zij dan een vuurtje om zich te kunnen warmen. 

Bij de ophaalbrug van Breukelen het mooie, statige Gun- 
t e r s t e i n, met helder-witten bovenbouw boven den glinste- 
rend-zwart uit het water der omringende gracht oprijzenden on- 
derbouw. Gunterstein behoorde oorspronkelijk aan het geslacht 
der Nijenrode's; in 1611 werd het aangekocht door Joan van 
Oldenbarne veldt : 

„De flonkerstar der Barnevelden 
Die martelaar van Staat, wiens lof 
Geen tong ooit kan naar waarde melden 
Was eertijds Heer van dezen Hof". 

Naast Gunterstein ligt aan denzelfden oever van de Vecht 
Kweekhoven, waar een groot bijenpark gevestigd is en 
waarvandaan jaarlijks — eigenaardig export-artikel — groote 
scheepsladingen levende b ij e n naar den vreemde gezonden 
worden. 

En nu, Breukelen voorbij, komt wel het mooiste gedeelte 
der Vecht: het stuk links van Breukelen tot Nieuwersluis, 
dat vroeger de Menistenhemel genoemd werd, omdat daar in 
de XVIIIe eeuw de rijke „meniste" Amsterdamsche koop- 
lieden hun fraaie „beminnelijcke" buitenverblijven hadden. 
Op een afstand van de Vecht loopt een prachtige eikenlaan 
en tusschen deze laan en het water liggen de beroemde oude 



127 



Vecht-bezittingen: V ij v e r h o f , eenmaal beroemd tot ver bui- 
ten de grenzen van Holland om zijn kweekerij van uitheemsche 
vruchten en gewassen; Over Holland, vorstelijk ge- 
legen in een park, waar de Zweedsche botanicus Linnaeus 
(1707—1778) veel heeft gewerkt (Het huis heeft een vermaarde 
koepelzaal) . Sterreschans (modern gebouw, gesticht 
op de plaats waar in 1672 een schans was aangelegd) en R u- 
pelmonde met zijn rococo-gevellijst en zijn violette ruitjes, 
zoo niet het mooiste dan toch het ongereptste van deze oude 
huizen. 

Tegenover Nieuwersluis ligt de voormalige Pupillen- 
school (thans depot en kazerne der militaire politietroepen) . 
Het kadergebrek in het Nederlandsche leger deed Koning Willem 
III in 1877 besluiten een inrichting in het leven te roepen om knapen 
van 12 — 14 jaar zóó op te leiden, dat zij na een volbrachte opleiding 
geschikt zouden zijn zoowel voor een ambacht als voor den mili- 
tairen stand; de instelling bedoelde tevens te zijn een tegemoet- 
koming aan gehuwde militairen in de opleiding hunner zonen. De 
instelling werd, als gevolg van veranderde militaire inzichten, in 
1896 opgeheven. 

NIEUWERSLUIS, eertijds de pleisterplaats voor wie met 
de jaagschuit van Utrecht naar Amsterdam of van Amsterdam 
naar Utrecht voer, thans de genoeglijke aanlegplaats voor 
alle roei- en motorbootjes en vooral ook van de zeiljachten, die 
vooral des Zondags in grooten getale de t Vecht bevolken ;Nieuwer- 
sluis voorbij, zet zich de reeks buitenverblijven nog voort: 
Vreedenhof f, met zijn monumentaal hek (uit het jaar 
1760), waarvan de volksmond weet te vertellen, dat het geheel 
van koper was en zóó blonk, dat de paarden van de diligence 
ervan op hol sloegen; het koper is opsnijderij, want het hek is 
van ijzer, maar een duur hek is het ongetwijfeld geweest, (een 
smederij werd op het landgoed gebouwd alleen om het kunst- 
werk te smeden) niet het minst om het beruchte proces, dat 
erover gevoerd is en dat de verliezende partij (den eigenaar 
van Vreedenhoff) grof geld heeft gekost. Middenhoe k, 
het verdwenen Cronenburg (waarheen Floris V vervoerd 
werd, toen hij door Gerard van Velzen, die destijds Cronenburg 
bewoonde, overweldigd werd), Nieuwerhoek, tot wij 
reeds LOENEN naderen, het mooie, oude Loenen, met zijn 
statig kerkje en hoogen toren, die beide zeer de moeite van een 
bezoek waard zijn; de kerk om de vele grafzerken en rouw- 



123 



N.V. VOORHEEN J.E.WEENINK 

Leverancier Utrechtsche Industrie- en Huishoudschool 

Beveelt zich beleefd aan 
voor de leveranties van 

Koloniale waren - Comestibles 
Gedistilleerd, Wijnen en Likeuren 

DONKERE GAARD 6-8, TELEFOON 10110 

Laat 2 maal per week aan huis^hooren en bezorgen 




m 



AGENCY | 

„HIS MASTER'S VOICE" | 

GRAMOPHONES - 3 GEHOORZALEN 
RECORDS MUZIEKINSTRUMENTEN H 



J. WEIJMAN 



m 
m 

ZADELSTRAAT 6 UTRECHT I 

TELEFOON 13288 I 



wapens van de aanzienlijke geslachten, die hier in de Vecht- 
streek gewoond hebben en de toren om het wijde uitzicht 
over het naar alle zijden verrassend schoone landschap. 

Na Loenen nog enkele fraaie buitens, afgewisseld door 'n 
boerderij met 'n malsch weitje eromheen, 'n paar vruchtboomen 
en 'n hooiberg. De oude ridderhofstede M ij n d e n, het 
slot van Loenen, rechts O u d-o ver met zijn 
zware sparren, Kalorama, Leeuwend ij k (thans pasto- 
rie) , Beek en Hoff, Wallenstein, waarvan niets 
meer over is dan het prachtige, met wapenschilden versierde 
hek. En dan het stedeke VREELAND, stedeke, omdat 
het reeds in 1765 stedelijke rechten kreeg, nadat vijf jaren 
vroeger een Utrechtsche bisschop daar het slot Vrede- 
1 a n d had gebouwd ,,om de strooperijen der Heeren van 
Amstel en het muyten der omliggende boeren te beteugelen." 
De tegenwoordige ,, Plantage" is de plaats, waar het oude 
slot gestaan heeft, welks steenen gediend hebben om het 
kasteel Vredenburg in Utrecht te bouwen. 

Nog noordelijker de Vecht langs zien wij in de verte het — 
al over de grenzen der provincie liggende dorpje — NEDER- 
HORST met het aardige bergkerkje, een van de merkwaardigste 
monumenten van deze streek. 

Het is uit tufsteen gebouwd op een vluchtheuveltje; kerk en 
toren dateeren uit de Xlle eeuw; opmerkelijk zijn de boogfriezen en 
de lijstwerken aan den gevel. Een onvoltooide Latijnsche inscriptie 
op het deurkozijn heeft aanleiding gegeven tot allerlei gissingen. 

Heel in 't Noorden der provincie, aan de spoorlijn naar 
Amsterdam: ABCOUDE (in de Xle eeuw bekend onder den 
naam Abekewalde). 

De oude driebeukige kerk heeft een prachtig, vroeg-renaissance 
koorhek en een preekstoel met beeldhouwwerk uit denzelfden tijd; 
het doophek is uit lateren tijd; een paar mooie banken met luifels 
en friezen. Voorts een merkwaardige grafstede uit begin XVIIIe 
eeuw. In de R.K. Kerk een orgelfront met balustrade uit den tijd der 
vroeg-renaissance (ongeveer 1530), afkomstig uit de Groote Kerk 
te Gouda. In het Maria-altaar een beeld van de H. Maagd uit begin 
XVIe eeuw. Onder de kerkschatten een kostbaar geborduurd rug- 
schild van een vespermantel uit het laatst der XVIe eeuw. 

Het nabijgelegen GEIN, eertijds ,,een verrukkelijk paradijs, 
dat men in oogenschouw moet nemen om van deszelfs be- 
koorlijke ligging een denkbeeld te kunnen vormen" biedt ook 
nog thans een verrukkelijke wandeling. 



129 



III. De Loosdrechtsche plassen. 



Nieuwersluis (ook per trein bereikbaar) is het uitgangs- 
punt voor een tocht naar de LOOSDRECHTSCHE PLASSEN, 
middelpunt voor de zeil- en hengelsport. Vroeger was het 
alles land, maar met het land verdween ook de welvaart, tot 
eerst in de laatste jaren de watersport dit schoone plekje weer 
aan de vergetelheid heeft ontrukt. De plassen zijn van een zeer 
bizondere bekoring en geven natuurgenot in weer gansch 
anderen vorm en van gansch anderen aard dan de overige 
omstreken van Utrecht. De Loosdrechtsche plassen vormen 
een hoofdstuk apart en wanneer men een mooien zonnigen 
zomerdag treft, is het heerlijk den geheelen dag daar o p of 
aan het water te vertoeven. Het is er het land van riet en rust; 
als blanke vlinders dartelen de mooie wit-glinsterende zeilen 
her- en derwaarts over de wijde watervlakten, door 't wuivende 
riet omsloten, waartusschen de irissen op slanken stengel te 
droomen staan en de witte waterlelies plooien er ,,zoo blank 
en stil haar kroon uit in 't licht." Er zijn in de buurt een 
paar kleine dorpjes: NIEUW-LOOSDRECHT met zijn Sype- 
kerk en Sypetoren (Nieuw-Loosdrecht heette vroeger Sype en 
zijn nieuwen naam ontleent het aan het watertje de Drecht, 
dat midden door de gemeente loopt en bij Mijnden in de Vecht 
loost). 

Aan te bevelenis een beklimming van den Sypetoren; eerst dan ziet 
men, welk een afwisseling het landschap biedt: weiden, bosch, heuvel- 
ruggen, heide en watervlakten. De klok in den toren herinnert aan 
de ellende, die ook deze dorpen in 1672 van de Franschen te ver- 
duren hebben gehad. De groote klok van 6000 pond, die toen in den 
toren hing, werd door hen vernield en de nieuwe klok, die haar 
later verving, woog slechts 1700 pond. De klok zelf klaagt nog heden 
haar leed aldus uit: 



'k Wyerd van 6000 pont door 't frans geboeft tot gruys 
'k Weech 1700 nu en dyen opnyeuw Godes huys. 

OUD-LOOSDRECHT is thans een veel gezocht middelpunt 
van watersport; er is een zweminrichting en overal bestaat 
gelegenheid bootjes te huren. Bij het kasteel Sypesteyn 
heeft langen tijd een beroemde porseleinfabriek gestaan. 



130 



De porseleinfabriek werd in 1771 opgericht dooreen predikant, 
Ds. Johannes de Mol. Zij was een der vijf fabrieken van porselein, 
die ons land in de XVIIIe eeuw heeft gehad. Het Oud-Loosdrechter 
porselein was van zeer goede qualiteit en van een helder witte 
kleur; het decor, dat waarschijnlijk nergens op artistieker wijze 
werd gemaakt, bestond meestal uit geschilderde landschappen. 
In 1784 werd de fabriek overgebracht ergens in de buurt van Am- 
sterdam en in 1810 werd zij opgeheven. In het museum ,,Sype- 
steyn" worden een aantal zeer fraaie stukken van dit Loosdrechter 
porselein bewaard. 

Nog noordelijker aan de plassen ligt KORTENHOEF, bij de 
schilders zeer in trek, met 'n aardige wipbrug en het tolhek en 
het sluisje; met talrijke draaibruggetjes en het visschers- 
huisje aan den Horndijk, waar natuurlijk naast de deur een 
bordje uithangt met het opschrift ,, Paling te koop". Er zijn ook 
een mooie Herv. Kerk en zeer oude boerderijen. 

Ten zuiden van de Loosdrechtsche plassen liggen de MAARSSE- 
VEENSCHE plassen met de dorpen Tienhoven, Westbroek en Acht- 
tienhoven (Gemeentehuis !) . In de kleine kerk van Westbroek de tombe 
van bisschop Boudewijn II (overl. 1196). 

Van de Loosdrechtsche plassen kan men, via de Holland- 
sche Rading over den Hilversumschen straatweg weer naar 
Utrecht terug. 

IV. Oude stedekens in het Zuid- 
Westen. 

Een afzonderlijk uitstapje, dat zeer de moeite loont, is een 
tochtje naar Jutphaas, IJsselstein, Montfoort en (de reeds 
buiten de provincie liggende stadjes) Vianen en Schoonhoven. 

JUTPHAAS, aan den Vaartschen Rijn, is een dorp van ouden 
datum, dat met de stedekens IJsselstein en Vianen in de ge- 
schiedenis van Utrecht herhaaldelijk een rol heeft gespeeld. 
Er lagen vroeger veel ridderhofsteden, de meeste zijn echter 
verdwenen; de landgoederen Rijnhuizen, Oudegein 
en S t o r m e r d ij k zijn de laatste herinneringen eraan. 

In Jutphaas is zeer bezienswaardig de St. Nicolaaskerk (1875 
ingewijd), een dorpskerk, die door haar vorm en inrichting aan 
hooge eischen van doelmatigheid en schoonheid voldoet. Bouw en 
versiering sluiten zich geheel aan bij de middeleeuwen; de orgel - 



131 



kast is een kunstjuweel, afkomstig uit ,,DeH. Stede" te Amsterdam 
en waarschijnlijk aldaar op last van Keizer Maximiliaan vervaardigd. 
Dit kunstwerk heeft den toon aangegeven voor de rijke behandeling 
van de geheele meubileering en versiering van de kerk. 

IJSSELSTEIN is een 
s t a d j e ; stedelijke 
rechten ontving het in 
1340 en een halve eeuw 
later werd het met 
muren, poorten en to- 
rens versterkt. 

„Die van IJsselstein" 
lagen herhaaldelijk over 
hoop met ,,die van 
Utrecht" en de Utrech- 
ters waren op hun toch- 
ten naar IJsselstein 
Op weg naar IJsselstein, dikwijls weinig geluk- 

kig. Het stadje dankte 
zijn opkomst aan het kasteel, dat aan de overzijde van denHolland- 
schen IJssel lag (alleen de toren is er nog van over) en achtereen- 
volgens in bezit was van de geslachten van Amstel, Egmond en 
Oranje. De heerlijkheid IJsselstein was tot 1795 een baronie. In de 
— bij een brand in 1911 gedeeltelijk vernielde — Ned. Herv. Kerk 
een beroemd praalgraf van vier Heerenen Vrouwen van IJsselstein. 

MONTFOORT doet als vriendelijk stadje aan den Holland- 
schen IJssel, omgeven door akkers en weilanden, met zijn 
kaashandel en kleine scheepswerven, geen oogenblik meer 
herinneren aan den geduchten naam, die eens van dezen 
„mons fortis" in de middeleeuwen uitging. Het is nu alles 
pais en vrede, wat er de koekoek zingt. 

Montfoort was de naam van het kasteel, dat bisschop Gotfried 
er in 1170 liet bouwen en welke naam later overging op het stadje, 
dat zich rondom den burcht ontplooide. In het kasteel, in 1838 door 
de stad aangekocht, werd later door het Rijk een gevangenis en ver- 
beterhuis voor vrouwen en meisjes gevestigd. De Maltheser Ridders 
hebben lang in Montfoort een commanderij gehad. Ook dit plaatsje 
heeft in de geschiedenis veel — en bloedig — contact met de stad 
Utrecht gehad. 

VIANEN is eveneens een heel oud stadje; het wordt reeds 
in het laatst der Xlle eeuw vermeld. Het geslacht der Bredero's 
heeft er geregeerd van begin XVe eeuw tot het uitsterven van 




132 



dat geslacht in 1679. De heeren van Vianen bewoonden het 
slot Batestein, waar niets meer van over is; het werd in het 
midden der XVIIIe eeuw verbrand en gesloopt. 

Vianen was een volkomen vrije heerlijkheid, die met de Unie niets 
te maken wilde hebben; als „vrijplaats" was Vianen een geliefd 
toevluchtsoord voor avonturiers en bankroetiers, wien elders 
de grond te heet onder de voeten geworden was. In het einde der 
XVIIIe eeuw heeft Vianen een aanloop genomen om badplaats te 
worden, na ontdekking van een bron van geneeskrachtig water. 
Aardig is een wandeling door de breede Voorstraat, die van het 
noorden naar het zuiden de stad doorsnijdt en bij de Lekpoort, een 
gebouw uit de XVe eeuw, begint. In de Herv. Kerk een prachtige 
graftombe van Reinoud van Brederode (overl. 1556). 

Tegenover Vianen, aan de Utrechtsche zijde van de Lek 
en door een schipbrug met Vianen verbonden, ligt het dorp 
VREESWIJK, dat zijn ontstaan te danken heeft aan het graven 
van den Vaartschen Rijn (± 1150). Interessant zijn daar de 
groote schutsluizen van het Merwedekanaal (1892). Van 
Vreeswijk kan men langs de Lek of binnendoor over LOPIK 
gaan naar SCHOONHOVEN, een interessant oud stadje, met 
mooie oude gebouwen (kerk, raadhuis, waag) en een zeer 
specialen tak van goud- en zilver-industrie (van Gouda 
ook met een locaalspoortje bereikbaar). 

De stedekens en dorpen onderling zijn verbonden door land- 
wegen, voerend langs stille wateren van rust, door een vriende- 
lijk, zonnig, echt-Hollandsch landschap. 

V. Naar het Kasteel De Haar. 

Een bezoek aan het KASTEEL DE HAAR is om velerlei 
redenen interessant. In de eerste plaats om den tocht 
erheen. Men doe dit uitstapje per auto (bus) of per rijwiel 
(per spoor kan men gaan tot de halte Vleuten en van daar 
wandelen) en volge dan eerst den Vleutenschen weg 
- langs het oude buiten Jaffa — de brug van het Merwede- 
kanaal over en dan recht-toe recht-aan op Vleuten en 
van V 1 e u t e n naar Haarzuilens. Men ziet dan een 
stukje van de provincie Utrecht, dat een afzonderlijk karakter 
draagt: het Utrechtsche „Westland". Met verbazingwekkende 
snelheid heeft zich in deze streek de tuinbouw en groententeelt, 
de z.g. cultuur-onder-glas, uitgebreid en als omvangrijke 
fabrieks-complexen rijen zich hier de lage, glazen kassen aan- 



133 



een met de hooge schoorsteenen voor de verwarmings-instal- 
laties, de kostbare kassen, waaronder de groote hoeveelheden 
groenten en fruit gekweekt worden, die in de Utrechtsche 
groenten- en vruchtenveiling hun verkoopcentrale vinden. Wat 
hier in de laatste tien, twintig jaren op het gebied van den 
tuinbouw en kweekerij tot stand gebracht is, opent groote toe- 
komstmogelijkheden als eenmaal alle voor deze cultuur 
prachtig geschikte grond in gebruik zal zijn genomen. Is een 
kijkje in deze streek — en een bezoek aan de kweekerijen, de 
druivenkassen en ,, warenhuizen" — reeds opzichzelf de moeite 
waard, het landschapschoon met zijn verre uitzichten is vol 
afwisseling en de kleine met wilgen omzoomde vaarten, die 
het land doorkruisen, maken menig plekje buitengemeen schil- 
derachtig. 

Het dorpje VLEUTEN heeft zich ontwikkeld uit de nederzetting 
van het oude Huis te Vleuten, dat reeds in 1236 bekend 
was en in de XVII Ie eeuw werd gesloopt. Merkwaardig is de ruïne 
van de ridderhofstad Den Ham — een vierkante, uit het water 
eenzaam oprijzende toren, met in zijn muren de litteekenen van 
vroeger toegebrachte verwondingen en verminkingen — in 1160 
vermeld als de bezitting van 't geduchte geslacht Utenham. 

Bij het dorpje HAARZUILENS — schilderachtig in ouden 
dorpsstijl gebouwd — komen ons reeds aan de vensters en 
deuren de kleuren van het geslacht van Zuylen tegemoet en 
door de spijlen van het hooge ijzeren hek zien wij, temidden 
van een schitterenden tuinaanleg, het doel van onzen tocht, 
het KASTEEL DE HAAR. Wij rijden om de uitgestrekte 
bezitting — bosch en park en weiden — heen en kloppen, 
als waren wij eensklaps in middeleeuwsche poorters gemeta- 
morphoseerd, aan de hooge witte deuren van de slotpoort 
om toegang aan. 

Het kasteel is te bezichtigen des Maandags, Woensdags en Vrij- 
dags van 10—12 uur; kaarten kosteloos verkrijgbaar bij den 
Directeur van het Centraal Museum, Agnietenstraat, Utrecht. 

Door de poort en langs de stalgebouwen voert een groote 
oprijlaan ons tot het eigenlijke kasteel, dat nu in al zijn impo- 
sante sterkte uit de breede slotgracht voor ons oprijst met 
zijn torens, zijn bijgebouwen, zijn voorplein en zijn vorstelijk 
entrée. Wij weten niet, waar eerst onze oogen hèèn te richten: 
naar het gebouw, de reeks gebouwen (waarvan zeker het 



134 



oude kerkje, de slotkapel, niet het minst interessant is), dan wel 
naar de prachtige omgeving van uitgestrekte tuinen, parken, 
bösschen en waterpartijen. 

En nu het merkwaardige, dat dit kasteel zoo interessant 
maakt: vóórdat de tegenwoordige eigenaar, baron van Zuylen 
van Nyevelt van de Haar op initiatief van Victor de Stuers 
aan Dr. P. J. H. Cuypers opdracht gaf dit Huis de Haar te 
„restaureeren", was deze omgeving één leeg, verwilderd stuk 
land met wat water hier en daar en wat schaars verspreide 
boomen. Heel dit park, al deze bosschen, al de vijvers, heel 
dit schitterende landgoed is aangelegd — de heer H. Copijn 
was er de schepper van — en de Utrechters herinneren zich 
nog goed, hoe des nachts de aloude boomen van de Vuursche 
en van elders afkomstig, per as door Utrecht vervoerd werden 
om te Haarzuilens weder in den grond geworteld te worden, 
opdat aanstonds het nieuw opgetrokken kasteel met een oud 
bosch zou zijn omringd. Uit niets werd hier in enkele jaren 
een door zwaar geboomte belommerd landgoed niet u i t, 
maar i n den grond gestampt en het klinkt haast als een sprookje 
wat de bewoners der omgeving weten te vertellen van den 
arbeid, die hier in luttele jaren werd verricht. En zooals het 
met het park en de bosschen ging, zoo is het ook gegaan met 
het kasteel zelf; wat er van het — minstens uit het jaar 
1312 stammende en in 1672 vernielde — slot over was, 
waren wat fundamenten en een paar brokken muur, een ver- 
laten en verwaarloosde, een haast vergeten hoop puin daar 
ergens in een vrij eenzame streek der provincie Utrecht. En 
uit dit weinige overgeblevene schiep Dr. Cuypers in laat- 
middeleeuwschen bouwtrant dit machtige bouwwerk, dit indruk- 
wekkende kasteel, dat, wat bouw en wat omgeving betreft, 
in ons land haast niet wordt geëvenaard. Geen gerestau- 
reerd gebouw is dit kasteel de Haar, maar een artistieke 
reconstructie in den stijl, dien onze Nederlandsche 
Viollet le Duc aanzag voor een bewuste herschepping van de 
oude bouwwijze in Nederland. Een reconstructie, ook daarom 
zoo merkwaardig, omdat de bouwmeester gelegenheid had dit 
in al zijn vormen middeleeuwsch kasteel in te richten naar 
de behoefte van den nieuwen tijd en het moderne leven. 

De oudste betrouwbare mededeeling omtrent de Haar dateert uit 
het jaar 1312; tot 1440 is het kasteel in handen gebleven der oor- 



135 



spronkelijke bezitters: het geslacht van Woerden. In 1440 gingen 
goed en heerlijkheid bij vererving over aan het geslacht van Zuylen, 
waarin het tot den huidigen dag gebleven is. In 1482 werd het slot 
tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten geplunderd en ver- 
nield. Na 1504 heeft dan de herbouw plaats. Tijdens de bezetting 
der provincie Utrecht door de Fransche troepen onder Lodewijk 
XIV (1672 — 1673) wordt het slot voor de tweede maal geplunderd 
en nu grondig verwoest. In 1890 begint de herbouw van ,,1'ancien 
chateau en ruine de Haar" onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers 
in samenwerking met zijn zoon Joseph. 

En als wij nu, de monumentale trap öp en de ophaalbrug 
over, het kasteel binnengaan, wacht ons wederom een ver- 
rassing: natuurlijk in de eerste plaats het rijk-gothische inte- 
rieur der hoogbekapte — oorspronkelijk echter van boven ge- 
heel opene — hal, de zalen er om heen, de woon- en slaap- 
vertrekken op de eerste verdieping, maar tevens de schat van 
kostbare meubelen en kunstwerken uit middeleeuwen en 
lateren tijd, uit eigen land en uit den verren vreemde, hier 
als in een museum tezamengebracht. 

Oude kunstwerken van den meest uiteenloopenden aard: schilderijen 
en beeldhouwwerk, gobelins en oude meubelen — o.a. het gebeeld- 
houwde ledikant, waar Karei V in geslapen heeft — muziek-instru- 
menten uit het Oosten, een draagstoel uit China, wapens en banieren, 
boekwerken en kerkornamenten — als verzameling alleen reeds een 
tocht naar de Haar waard. 

Van Haarzuilens kan men verder den tocht voortzetten naar 
het stadje WOERDEN — een oude Romeinsche nederzetting — 
maar wij zijn dan reeds de grenzen der provincie Utrecht 
over. En als wij dit uitstapje naar de Haar bewaard hebben 
voor den laatsten dag van Uw oponthoud in Utrecht, vreemde- 
ling, dan zou ik U aanraden langs de V e c ht naar de stad Utrecht 
terug te keeren. Want van al de omstreken der stad is de 
Vecht wel het meest speciaal Utrechtse h. En ik zou 
daarom Uw tochtenreeks rondom Utrecht met de Vecht 
willen besluiten, opdat in Uw herinnering achterblijve de 
gedachte, dat én de stad Utrecht én hare omgeving den 
vreemdeling iets eigens bieden kan, iets, dat van haar 
is en van géén ander. 

En in de stad Utrecht scheiden dan onze wegen. Moge de 
herinnering aan stad en omgeving U aanleiding zijn, vreemde- 
ling, om hier dikwijls terug te keeren. Gij zult er, wanneer 



136 



gij er komt, welkom zijn. Want — en öökdat is ten slotte een 
factor van belang in het vreemdelingenverkeer — al van ouds 
staat er van de Utrechtsche burgerij geboekstaafd, dat zij is 
,,van naturen tot beleef theyt ende affabiliteyt genegen" en dat 
de s t a d Utrecht, ,,daernevens een particuliere inclinatie boven 
andere Steden heeft om eerlycke luyden wèl te recipi- 
eeren ende in goede achtinge ende waerde te 
houden" .... 




Poortie aan de 
Mariahoek te Utrecht. 



137 



INHOUD 



Aartsbisschoppelijk Museum 

33-42 

Abcoude 129 

Abstede 4 

Achter den Dom 30 

Achter St. Pieter 28 e.v. 

Administratiegebouwen der 
Nederlandsche Spoor- 
wegen 4 

Agathaklooster 34 

Agnietenkapel 40 — 41 

Agnietenklooster 41 

Aloysiuskerk, R. K. St. 86 e.v. 

Amalia-Stichting 54 

Amelisweerd, Oud- en 

Nieuw- 51 

Amerongen 120 

Amersfoort 15—28—114 

Amsterdamsche straatweg 

52—104 

Anatomisch Instituut 80 

Antonius-Gasthuis, R.K. St. 86 

Antoniuskerk, St 106 

Arr. Rechtbank, Gebouw der 7 
Augustinus, R.K. Parochie- 
kerk van St 71 

Autobus-station 3 

Baarn 3—112 

Bad en Zweminrichting, 

(gemeentelijke) 54 

Bakkerspoort (Mariastraat) 9 
Bartholomaei-gasthuis . . . 57 
Beets, Woonhuis van Nico- 

laas 94 

Begijnehof 76 

Begraaf plaatsen, Algemeene 52 

— , Israëlietische 52 

— , R. K 52—84 

Beyerskameren 40 

Bildt, de 111 

Bilthoven 112 

Bisschopshof , De poort van 

het 13 



Blankenburch (Groot- — en 

Klein — ) 67 

Bosch en Duin 113 

Brandaa, Huis 60 

Brandsteeg 31—60 

Brandweer-Museum 35 

Breedstraat 75 e.v. 

Breukelen 126 

Brigittenbrug 34 

Bruntenhof 37 

Bunnik 52-115 

Bunschoten 109 

Burgemeester Dr. J. P. 

Fockema Andreae Bank 89 
Burgemeester Reiger Monu- 
ment 91 

Buurkerk 10—63 

Buurtoren 6 — 10 

Buurtstation 3 

Catharijne (buitengerecht) . 4 

Catharij nebrug 103 

Catharijne-convent 35 

Catharijnesingel 3 — 54 

Catharijnevelt 34 

Centraal Museum 40 — 41 e.v. 

Centraal Station 3 — 83 

Chartroïse 105 

Chirurgische en Gynaeco- 
logische Klinieken 54 

Choorstraatll— 12— 62 e.v. 65 
Coninck van Poortugael . . 99 

Da Costaschool 54 

Darthuizerberg 120 

Diaconessenhuis (oude) 55 

— , (nieuwe) 55 — 86 

Diakonieweeshuis Ned. 

Herv 76 

Dolder, den 41—113 

Dominicus, R. K. Kerk van 

den H., 6 

Domkerk 11—13—17—18—19 
e.v 28—36—73 



138 



Domplein 12—14—16—17—19 
27—41 

Domtoren 6—8—13—18—20— 

32—36—55—63—64—68—83 
99 

Donders Monument 95 

Doopsgezinde Kerk 61 

Doorn 119 

Drakesteyn, Kasteel 112 

Driebergen 118 

Drift 32—76 e.v. 

Duitsche Huis der Ridder- 
lijke Orde Balije van 

Utrecht 33 

Duitsche Huis der Ridders 
van St. Jan (thans Mili- 
tair Hospitaal) 60 

Eemnes 109 

Eloyen-gasthuis, St 62 

Emma kliniek 86 

Emmalaan 85 

Fort aan de Biltstraat .... 83 

Fort Blauwkapel 83 

Fort Hoofddijk 83 

Fort de Klop 83 

Fort Rhijnauwen 83 

Fort Voordorp . . . 83 

Fort Vossegat 51 

Fresenburch 67 

Gaardbrug 62 

Gansstraat 52 

Ganzenmarkt . . . 65 — 67 e.v. 
Gasthuis voor Ooglijders, 

Nederlandsch 80 82 

Gebouw voor Kunsten en 

Wetenschappen 6 

Geertekerk 58 

Gein, Het 129 

Gemeente Archief 77 

Gemeente-Gasfabriek .... 80 
Geneesk. Gesticht voor 

Krankzinnigen 41 

Gerardus-Majella-School, St. 54 
Gereformeerde Kerk bij het 

Ledig Erf 51 

Gertrudiskerk, St. (Geerte 

Kerk) 58 



Gertrudis, Parochiekerk der 
Oud Roomsch -Katholie- 
ken St 5 

Gertrudis Kerk, R. K. St. 54 

Gesloten Steen, De 61 

Godscameren van Mr. Jan 

van Gronsvelt . 48 

Grebbeberg 121 

Groenten- en Vruchtenvei- 
ling 106 

Gronsvelt-cameren 48 

Gymnasium, Stedelijk .... 95 

Haar, Kasteel de 133 e.v. 

Haarzuilens 134 

Handelsbeurs (Mariaplaats) 6 

Handelsbeurs (Vredenburg) 101 

Hasenbergh 63 

Hoff-Laboratorium, van 't 54 

Hofpoort. 33 

Hollandsche Rading 131 

Holy Trinity Church 89 

Hoofdbureau van Politie . . 67 

Hoogeland, Park 83 

Hoogere Burgerschool voor 

Meisjes 79 

Hortus Botanicus 38 

Houten 52 

Houtensche vlakte 83 

Huis ter Heide 113 

Jaarbeurs, Nederlandsche . 102 

Jacobikerk 71—75 

Jacobsbrug 71—75 

Jan Meyenstraat 73 

Jan van Nassau, Standbeeld 

van 19-26 

Janskerk 7—28—95 

Janskerkhof 3 -93 

Joannes de Deo, Gesticht 

van de Broeders van St. 6 
Johanniters (zetel der Sou- 

vereine Orde van Malta) 33 

Jong Utrecht, Clubhuis . . 73 

Jutphaas 52—131 

Kadaster en de Hypotheken, 

Gebouw van het 79 

Kamer van Koophandel en 

Fabrieken 92 

Kasteel van Antwerpen . . 67 



139 



Kathedraal van St. Catha- 

rina 34 

Keulsche Vaart 5 

Kintgenshaven 99 

Klaaskerk (zie Nicolaï Kerk) 
Kliniek voor kleine huis- 
dieren 80 

Kloostergang (zie Kruis- 
gang) 

Koninklijk Paleis (voor- 
malig) 76 

Kortenhoef 131 

Krakeling, Het Huis de . . 

(Achter St. Pieter) 28 

Kromhout Kazerne 86 

Kromme Nieuwe Gracht . . 

30—32—77 
Kromme Rijn . . . 15 — 51 — 52 
Kruisgang van den Dom 

17—18—35 
Kruisgang van St. Marie 6 — 35 
Kruisgang van St. Catha- 

rijne 35 

Kunsthistorisch Instituut . 78 



Landbouw Winterschool, 

Rijks 105 

Ledig Erf 51—52 

Leersum 120 

Leeszaal, Openbare . . 27 — 28 

Leewenberch 36 — 37 

Lepelenburg 37 

Leusderhei 28—119 

Lichtenbergh 63 

Loenen 128 

Loenersloot(d'huysinge van) 33 
Loosdrechtsche plassen ... 130 

Lopik 133 

Lucas Bolwerk 79—92 

Lunetten 83 

Lyceum voor Meisjes .... 79 
Maarschalkerweerd, Sport- 
terrein 52 

Maarssen 59 — 125 

Maarsseveensche plassen. . 131 

Maartensbrug 12 — 66 

Maliebaan 80—83 

Malta (zetel van de Souve- 

reine Orde van) 33 

Manenburg 52 



Mariahoek 6 

Mariakerk 7 

Mariaplaats 6 

Mariapomp 8 

Marktterreinen a/d Croese- 

laan 106 

Martinus, Parochiekerk van 

St 55 

Martinus school, St 55 

Merwedekanaal 5 — 52—53 — 75 

107 

Meteorologisch Instituut . . 111 
Middelbare Technische 

School 54 

Militair Hospitaal 60 

Monica, R. K. Bijkerk der 

H 75 

Montfoort 132 

Monument 1813 50 

Munt, 's Rijks 107 

Museum, Aartsbisschoppe- 
lijk 42 

— , Brandweer 35 

— , Centraal 41 

— v. Kunstnijverheid ... 79 

— der Oud-Biss. Clerezij 6 

— v. h. Prov. Utr. Genoot- 
schap 42 

— v. Grafische Kunst . . 54 

— Staatsboschbeheer .... 84 

Nederhorst 129 

Nederlandsche Bank, 

Agentschap der 29 

Nederl. Vereeniging Huis. . 60 

Neerlangbroek 110 

Neude 70—96—97 

Nicolaasklooster, St 49 

Nicolaïkerk 39—47—49 

Nieuwe Gracht 29—30—32—33 
—38—39 

Nieuw-Loosdrecht 130 

Nieuweroord, Park 5 

Nieuwersluis 128 

Nijverheidsschool 92 

Onze Lieve Vrouwe ten He- 
melopneming, R. K. Kerk 

van 81 

Onze Lieve Vrouwe van 

Goeden Raad, R. K. Kerk 106 
Oog in Al 28—107 



140 



Oranje Huis 73 

Oranje Kerk 104 

Oranjepark 73 

Oudaen, Het Huys 69 

Oude Gracht 5—12—15—54 
—55—56—66—67—68—69— 
73—74 

Oude Mannen- en Vrouwen- 
huis (gemeentelijk) .... 50 
Oude Mannen- en Vrouwen- 
huis (der Ned. Herv. 

Diaconie) 69 

Oud-Kerkhof 65—66 

Oud-Leusden 113 

Oud-Loosdrecht 130 

Overdekte Zwem- en Bad- 
inrichting 80 

Overkwartier, Kasteelen in 
het 118 

Pallaes, Fundatie van Maria 

van 39—40 

Pathologisch Instituut ... 81 
Patriciërshuizen op het Jans- 
kerkhof 93—94 

Paulus-abdij, St 7—33 

Paushuize 29 —30 

Paviljoen Wilhelminapark . 88 

Pays Bas, Hotel des 93 

Pharmacologisch Laborato- 
rium 54 

Physisch Laboratorium ... 54 

Pieterskerk 7—28 

Plattegrond van Utrecht 

van 1572 2 

Plompetoren, Concertge- 
bouw 76 

Post- en Telegraafgebouw 

70—98 

Proeysenburgh 67 

Provinciale Griffie, Gebouw 

der 29 

Psychiatrisch Neurologische 

Kliniek 54 

Putruwiel 67 

Pyramide van Austerlitz .. 116 

Rembrandt-bioscoop 71 

Renesse (Huis) 77 

Renswoude, Fundatie van 40 



Rhenen 121 

Rhijnauwen 51 

Rivierenwijk 53 

Roode Brug 75 

Rosarium 85 

Rijks Archief 77 

Rijks Universiteitsbiblio- . . 

theek 77 e.v. 

Rijsenburg 117 

Schaepman Monument- Rij- 
senburg 117 

Schinckelenborch 67 

Schoonhoven 133 

Schouwburg 3—103 

Servaas Bolwerk 37 

Servatius -abdij, St 38 

Sionskameren 36 

Slachtplaats, Gemeentelijke 105 
Sociëteit van het Utr. Stu- 
dentencorps 94 

Soest 112 

Soestdijk 112 

Soesterberg, Vliegkamp . . 113 

Sonnenborch 38 

Spakenburg 109 

Spoorwegen, Administratie- 
gebouwen der Nederland- 

sche 4 

Springweg 31—59—60 

Staatsboschbeheer, Gebouw 

van het 84 

Stadhuis 63 

Stadhuisbrug 64—65—66 

Stads-Ambachtskinderhuis 40 

Stads-Armenhuis 50 

Staten Kamer 95 

Stathe ( oude Koopmanswijk) 1 

Station, Autobus 3 

— , Buurt 3 

— , Centraal 3 

— , Biltstraat 82 

— , Maliebaan 82 

Stedelijk Museum 42 

Steenweg 9—63 

Sterrenburg 52 

Sterrenwacht 37—38 

Stichtsche Industrieele Club 102 
Stichtsche Lustwarande . 111 

Stompert 113 

Strafgevangenis 79 



141 



Studieverzameling der 

School voor de Grafische 
Vakken 89 

Synagoge der Israëlietische 
Gemeente 59 

Sypestein, Kasteel 130 

Theerandjes 97 

Thomas, Kapel van St. . . . 16 

Tivoli, Park 92 

Tolsteegbrug 50 — 52—54 e.v. 

Tolsteegpoort 50 

Tuchthuis 50 

Tuinwijk 80 

Twijnstraat 50 

Typografisch Museum 
(museum voor Grafische 

Kunst) 54 

Universiteit 17—25—27 

Utrechtsche Hypotheekbank 78 

Vaart, Keulsche 5 

Vaartsche Rijn . . 51 — 53—54 
Vakschool voor de Typo- 
grafie 54 

Vecht 4—15—51 e.v. 54—74 
—122 

Vechten 51 

Veeartsenijkundige Facul- 
teit der Rijks-universiteit, 

Gebouwen der 80 — 81 

Vianen 83—133 

Viebrug 70 

Vischmarkt 11 — 65 e.v. 

Vleeschhal Lange Nieuw- 

straat 34 

Vleeschhal Voorstraat ... 99 

Vleeschhal Jansveld 99 

Vleuten 134 



Vredenburg 3—10—34—73— 
100 

Vreeswijk 52—83—133 

Vuursche, Lage en Hooge 112 

Waardpoort 74 

Wed 13—27 

Weerd, Bemuurde 4 — 74 

Weerdsluis 75 

Weesbrug 60 

Weeshuis, tevens Oude . . 
Mannen- en Vrouwenhuis, 

R. K 39 

Welgelegen, Sportterrein . . 52 
Werckhuys (van Mr. Evert 

van de Poll) 48 

Werf achter Twijnstraat . 55 
Wilhelminapark . 55 — 88 e.v. 

Willemsbrug 3 e.v. 

Willems Kazerne (voor- 
malige) 79 

Willemsplantsoen 5 

Willem van Noortplein ... 80 

Wittevrouwenbrug 79 

Wittevrouwenklooster .... 79 

Wittevrouwenpoort 79 

Wijk C, (voormalige) 73 

Wijk -bij -Duurstede . . 13—52— 
120 

Woerden 136 

IJsselstein 132 

IJzeren Hek 76 

Zandbrug 73 

Zeist 3-41—114 

Zijdebalen 75 

Zoudenbalch, Huis 9 

Zuilen 124 

Zuylensteijn 121 



142 



MUZIEK 

GRAMOFOONS - SNAREN, 
STRIJ K-INSTRUMENTEN 

FIRMA 

J.A.H. WAGEN AAR 

OUDEGRACHT107enl09 

PIANO'S 

DE ALLEREERSTE MERKEN EN 
MET ZQRG GEKOZEN GOED- 
KOOPE FABRIKATEN 



GrotriaftStgimpggi 




VLEUGELS EN PIANO'S 



HET GROOTSTE, 
OUDSTE EN MEEST BEKENDE 

BLOEMENMAGAZIJN 

HIER TER STEDE ÏS 

„AURORA" 

KORTE JANSSTRAAT 23-25 

(JANSKERKHOF) 
VAN 

C. M. KNOPPER Tzn. 



EIGEN K WE EK E RIJ VAN RUIM 1 H.A. 

OUDWIJKERDWARSSTRAAT 47 



1 JUWELIER 

AlCRAL 



UITGEBREIDE COLLECTIE 

JUWEELEN 

GOUD EN ZILVERWERK 

HORLOGES 



i 



UTRECHT 

ZADELSTRAAT 5 
TELEFOON 11759 



GETTY RESEARCH INSTITUTE 




3 3125 01360 8811 



mmm mwmm 

JANSKERKHOF 22 - UTRECHT 

D I R ECTI E: 

H. Q. HAMMACHER, Mr. C. J. RISSELADA 
TELEFOON 15864 



BEHANDELING VAN 

ALLE BANKZAKEN 

Administratie van Vermogens 

VERZILVERING van 
Coupons, Dividenden 
en Losbare Obligaties 

Spaarbank 4 pet p. jaar